Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:26975
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,202 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26975 text/xml public 2026-03-06T12:40:44 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-09-26 NL25.43325 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26975 text/html public 2026-01-30T09:52:21 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26975 Rechtbank Den Haag , 26-09-2025 / NL25.43325 Bewaring. Artikel 59b. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43325 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. M. Smeulders). Procesverloop Bij besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 15 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 17 september 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 19 september 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997 Verweerder heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. In dit verband stelt verweerder ter zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 Vw heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt. De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet zijn bestreden. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze gronden en de daarbij gegeven motivering de maatregel niet kunnen dragen. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder binnen de asielprocedure niet voldoende voortvarend te werk gaat, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 59b, tweede lid, van de Vw duurt de bewaring niet langer dan vier weken, of zes weken indien verweerder voorafgaand aan de asielbeschikking een voornemen uitbrengt. Eiser heeft op 8 september 2025 een asielaanvraag ingediend. Het asielgehoor heeft plaatsgevonden op 16 september 2025 en het voornemen is op 17 september 2025 uitgebracht. Gelet hierop, en nu eiser verder geen concrete aanwijzingen heeft aangedragen waaruit op voorhand kan worden afgeleid dat de maximale termijn vermeld in artikel 59b, tweede lid, van de Vw niet zal worden gehaald, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt binnen de asielprocedure. De hiervoor vermelde stelling van eiser slaagt dan ook niet. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647.