Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:26923
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,949 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26923 text/xml public 2026-01-30T08:00:05 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-22 C/09/688469 / FA RK 25-5321 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26923 text/html public 2026-01-30T07:55:43 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26923 Rechtbank Den Haag , 22-12-2025 / C/09/688469 / FA RK 25-5321 Vaststelling vaderschap. Moeder is na overlijden van vader zwanger geworden via postmortaal gebruik van een embryo. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-5321 Zaaknummer: C/09/688469 Datum beschikking: 22 december 2025 Gerechtelijke vaststelling ouderschap Beschikking op het op 7 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. D.Z. Peters te Zoetermeer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1], de minderjarige, hierna: [minderjarige 1], in rechte vertegenwoordigd door mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, ingekomen op 7 juli 2025; - het verweerschrift van de bijzondere curator, ingekomen op 22 september 2025; - het bericht van 22 september 2025, met bijlagen, van de zijde van de moeder; - het bericht van 10 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder; - het bericht van 27 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder. Feiten - De moeder is op [datum 1] 2020 gehuwd met [de vader] (hierna: de vader), geboren op [geboortedatum 2] 1990 te [geboorteplaats 2]. - De vader is overleden op [datum 2] 2020 te [plaats]. - Op [geboortedatum 1] 2025 is [minderjarige 1] uit de moeder geboren. - [minderjarige 1] is niet erkend. - De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige 1]. - Bij beschikking van 6 augustus 2025 is mr. B.J. de Deugd voornoemd benoemd tot bijzondere curator om de toen nog ongeboren vrucht van wie de moeder in verwachting was ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Verzoek De moeder verzoekt nu: - het ouderschap van de vader over [minderjarige 1] vast te stellen; - de griffier op te dragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ter inschrijving van de beschikking in de daartoe bestemde registers en op te dragen aan de ambtenaar (voor zoveel nodig) dat het kind de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ zal dragen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De bijzondere curator verzoekt het verzoek van de moeder om het ouderschap van de vader over [minderjarige 1] vast te stellen, toe te wijzen. Beoordeling Ontvankelijkheid Op grond van het bepaalde in artikel 1:207, derde lid, BW, moet de moeder van het kind het verzoek binnen vijf jaren na de geboorte van het kind indienen. De moeder kan daarom in haar verzoek worden ontvangen. Inhoudelijke beoordeling Op grond van artikel 1:207 BW kan, op verzoek van de moeder of het kind, het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld. Uit de overgelegde stukken is de rechtbank het volgende gebleken. De moeder is getrouwd geweest met de vader. De vader is op [datum 2] 2020 overleden aan de gevolgen van kanker. Toen de vader nog leefde, is de moeder via een ivf-behandeling zwanger geraakt van zoon [minderjarige 2]. [minderjarige 2] is geboren op [geboortedatum 4] 2021. Blijkens de overgelegde toestemmingsverklaring postmortaal embryogebruik heeft de vader op 17 augustus 2020 toestemming gegeven aan de moeder om ingeval van zijn overlijden hun ingevroren embryo’s gedurende een periode van vijf jaar te (blijven) bewaren om toekomstig gebruik ten behoeve van een zwangerschap bij de moeder mogelijk te maken. In de overgelegde brief van 15 april 2025 van de polikliniek voortplantingsgeneeskunde van het [ziekenhuis] wordt meegedeeld dat de moeder zwanger is na een vruchtbaarheidsbehandeling in de kliniek en dat de zwangerschap tot stand is gekomen met gebruik van semen van de overleden partner van de moeder. Aangegeven wordt dat de vader expliciet toestemming heeft gegeven voor postmortaal gebruik van de resterende embryo’s aan de moeder en dat hij dus zeker de biologische vader is van het nog ongeboren kind. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ouderschap van de vader, als resultaat van postmortaal gebruik van een embryo, voldoende vaststaat, zodat hij de biologische is van [minderjarige 1]. Verder staat vast dat de vader de voormalige levensgezel van de moeder was, die heeft ingestemd met de daad die de verwekking van [minderjarige 1] tot gevolg heeft gehad. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat haar afstamming wordt vastgesteld. Daarom zal het verzoek van de moeder ter zake de vaststelling van het ouderschap worden toegewezen. Verzoek ten aanzien van het versturen van een afschrift naar de ambtenaar De moeder verzoekt de griffer op te dragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente]. De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:20e BW volgt dat de griffier na verloop van drie maanden ambtshalve een afschrift van de beschikking naar de ambtenaar van de burgerlijke stand zal zenden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook bij gebrek aan belang afwijzen. Geslachtsnaam Op grond van artikel 1:5, tweede lid, BW houdt een kind, indien het door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader kom te staan, de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de man, wiens ouderschap is vastgesteld, ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Is één van de ouders voorafgaand aan het tijdstip waarop de naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan overleden en is de naamskeuze niet gedaan, dan let de andere ouder een verklaring omtrent de naamskeuze af (artikel 1:5, negende lid, BW). Een uitzondering op voormelde regel volgt uit artikel 1:5, achtste lid, BW: “Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid, kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van hun eerste kind worden afgelegd. (…) Onverminderd het zevende lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders (…) dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind (…).” . Gelet op artikel 1:5, achtste lid, BW zal de geslachtsnaam van [minderjarige 1] van rechtswege wijzigen in ‘[geslachtsnaam]’ bij toewijzing van het verzoek tot vaststelling van het ouderschap, en wel op het moment dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De moeder en de vader zijn namelijk ook ouders van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 4] 2021. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om de ambtenaar op te dragen dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’ zal dragen, afwijzen. Bijzondere curator Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad De aard van de zaak verzet zich tegen het bij voorraad uitvoerbaar verklaren van de beschikking, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.