Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:26900
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.30454, NL24.26413 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto), en de Minister van Asiel en Migratie , (gemachtigde: mr. F.E. Mahler). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.Y. Bindraban als tolk en de gemachtigde van verweerder. Waar gaat de zaak over? 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1986. Sinds 15 september 2023 heeft hij een Oekraïense verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser is een zogenoemde ‘derdelander’, die uit Oekraïne is gevlucht vanwege de oorlog die daar sinds 24 februari 2022 woedt. Eiser heeft op 1 maart 2024 aanspraak willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG. Doordat eiser op 23 februari 2022 niet over een permanente Oekraïense verblijfsvergunning beschikte, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Wat vindt eiser? 3. Volgens eiser voldoet hij aan de Richtlijn tijdelijke bescherming, waardoor hij recht heeft op voortzetting van zijn verblijfsrecht in Nederland tot 4 maart 2025. Hoewel de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 aangeeft dat de bescherming voor de groep die niet voor 19 juli 2022 in Nederland was ingeschreven, eindigt na 4 maart 2024, twijfelt de rechtbank in haar verwijzingsuitspraak of de Afdeling de juiste uitleg van het unierecht heeft gehanteerd. Daarnaast kan van eiser niet verwacht worden dat hij, gezien de instabiele situatie in Oekraïne, terugkeert. Eiser beschikt over voldoende middelen en woonruimte en heeft bovendien een baan tot februari 2025. Daarom heeft verweerder ten onrechte bepaald dat eiser geen recht heeft op verblijfsrecht in Nederland. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming of de facultatieve bepaling van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Wie vallen onder de richtlijn? 4.1 Op 4 maart 2022 is het besluit genomen door de Raad van de Europese Unie om de richtlijn tijdelijke bescherming te activeren. Ingevolge artikel 3.94, eerste lid onder a tot en met c en tweede lid Voorschrift Vreemdelingen (VWV) vallen de volgende vreemdelingen in Nederland onder de richtlijn: 4.2 Als vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit, zijn aangewezen vreemdelingen die: a. de Oekraïense nationaliteit hebben en die na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd; b. de Oekraïense nationaliteit hebben en die kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk al in Nederland verbleven; of c. beschikken over een op 23 februari 2022 geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning en ten aanzien van wie: 1°, aannemelijk is dat zij Oekraïne na 26 november 2021 hebben verlaten; en 2°, niet is gebleken dat zij na 23 februari 2022 naar het land van herkomst zijn teruggekeerd. 2 Artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, van het Besluit, is van overeenkomstige toepassing op familieleden van vreemdelingen als bedoeld in het eerste lid. 4.3 Niet in geschil is dat eiser, die de Turkse nationaliteit heeft, niet valt onder