Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:26744
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 25-123 Zaaknummer: C/09/681368 Datum beschikking: 19 december 2025 Vaststelling van staatloosheid Beschikking op het op 7 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] , verzoekster, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.O. Abed te Roermond. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de Staat”), zetelende te Den Haag, vertegenwoordigd door: mr. J. Laros. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 5 juni 2025 van de Staat, met bijlagen; - de brief van 24 juni 2025 van de zijde van verzoekster. Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, A. Polo, en namens de Staat mr. J. Laros. Verzoek en het advies van de Staat Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster. De Staat adviseert het verzoek af te wijzen. Feiten De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt. - Verzoekster is op 27 januari 2021 in Nederland aangekomen. - De aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingewilligd bij besluit van 5 juli 2021. Deze verblijfsvergunning is geldig van 28 januari 2021 tot 28 januari 2026. Beoordeling Juridisch kader en ontvankelijkheid Verzoekster verzoekt om haar staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs). Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek. De Staat adviseert om het verzoek af te wijzen omdat verzoekster geen document heeft overgelegd dat haar identiteit kan aantonen. De Staat wijst daartoe op zijn werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen. Uit deze werkinstructie volgt dat de Staat voor de registratie van staatloosheid van Palestijnen vereist dat uit drie documentgroepen minimaal één document wordt getoond. Verzoekster heeft alleen documenten uit documentgroep drie overgelegd. Verzoekster heeft geen documenten uit de documentgroepen één (een identiteitsdocument) en twee (een geboorteakte of gelijkwaardig document) overgelegd en daarmee dus geen documenten die haar identiteit aantonen. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon van verzoekster dezelfde is als de persoon op de door haar overgelegde documenten uit documentgroep drie. Daarmee is volgens de Staat ten aanzien van verzoekster geen staatloosheid vast te stellen. De rechtbank ziet in het standpunt van de Staat aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of het noodzakelijk is dat een document in de zin van de werkinstructie wordt overgelegd om de staatloosheid van verzoekster te kunnen vaststellen. In de werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen, wordt om de registratie van staatloosheid in Nederland in hoge mate betrouwba UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord. Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (278 Rv) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft. De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]” De rechtbank leidt hieruit af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van staatloosheid. Van de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid wordt verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en alles heeft overgelegd wat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan vaststelling van staatloosheid. Beoordeling van de overgelegde stukken Gelet op h