Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:2537
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,008 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6229
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 13 november 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 10 februari 2025 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 februari 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 2 december 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 2 december 2024.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De rechtbank heeft in haar eerdere uitspraak van 3 december 2024 geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om te volstaan met een lichter middel. Eiser heeft in de huidige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor een ander oordeel.
5. Uit het voortgangsrapport van verweerder volgt verder dat op 5 december 2024, 24 december 2024 en 16 januari 2025 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten over het verloop van de LP-aanvraag en dat op 16 december 2024 en 14 januari 2025 met eiser vertrekgesprekken zijn gehouden. Uit het vertrekgesprek van 14 januari 2025 blijkt verder dat eiser geen actie heeft ondernomen om aan documenten te komen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit, terwijl op hem de verplichting rust actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting, ook vanuit detentie. Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder dan ook voldoende voortvarend.
6. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:20124.