Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:25119
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-6629 Zaaknummer: C/09/653617 Datum beschikking: 4 april 2025 Scheiding Beschikking op het op 11 september 2023 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. Salhi te Rijswijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift van 7 september 2023, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9 formulier van 19 september 2023, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoek van 26 oktober 2023, met bijlagen, van de zijde van de man; het verweerschrift op zelfstandig verzoek van 12 december 2023 van de zijde van de vrouw; het F9 formulier van 8 maart 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9 formulier van 3 april 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9 formulier van 22 januari 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het aanvullend zelfstandig verzoek van 27 januari 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het verweerschrift op het aanvullend zelfstandig verzoek tevens houdend aanvullend verzoek van 27 februari 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9 formulier van 6 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het F9 formulier van 7 maart 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw. De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt. Op 14 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, A. Fawzy; de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk T. Sharef; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (Raad). Door de advocaat van de man zijn nadere stukken, namelijk twee jaaropgaven over 2023 van de man, overgelegd. Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen: het F9 formulier van 21 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het e-mailbericht van 21 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9 formulier van 26 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het F9 formulier van 27 maart 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw. Feiten De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1999 te [land]. Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1]. Zij zijn daarnaast de ouders van de volgende (jong-)meerderjarige kinderen: [jongmeerderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [geboorteplaats 2]; [jongmeerderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 2]. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. De man en de vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Deze rechtbank heeft op 20 september 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat: de minderjarige [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd; de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats], aan de [adres]. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw; vaststelling van kinderalimentatie van € 250,- per maand, met ingang van 12 december 2023; verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw, inhoudende dat: o de auto met het kenteken [kenteken 1] aan de man wordt toebedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde van € 750,- aan de vrouw; o de auto van het merk Kia Cerato uit 2014 aan de man wordt toebedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde van € 9.000,- aan de vrouw; o de villa en daar omliggend perceel te [land], aan de man wordt toebedeeld, tegen een vergoeding aan de v De rechtbank overweegt dat als één van beide partijen het huwelijk niet wenst voort te zetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. De vrouw volhardt in haar wens om van de man te scheiden. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat de man en de vrouw feitelijk al een langere tijd gescheiden leven. De rechtbank stelt daarom vast dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank zal het hierop steunende verzoek van de vrouw tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen. Hoofdverblijfplaats [minderjarige] Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats. Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat zij gedurende het huwelijk altijd de zorg heeft gehad voor de kinderen en dit graag wil voortzetten na het huwelijk. Het aandeel van de man en de betrokkenheid van de man in de zorg en opvoeding van de kinderen is altijd zeer beperkt geweest. De man verweert zich hiertegen en verzoekt zelfstandig de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen. Hij stelt dat sinds 2018 het zwaartepunt van de zorg voor [minderjarige] bij de man is gelegen, toen de vrouw begonnen is met een studie. In 2019 kreeg zij een baan, waardoor zij ook minder tijd had. De man daarentegen was al enkele jaren thuis en het ligt daarom voor de hand om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te bepalen bij haar hoofdverzorger, de man. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] nu al anderhalf jaar bij haar moeder verblijft. In het gesprek met de rechter heeft [minderjarige] bovendien zelf aangegeven dat zij graag bij haar moeder wil blijven wonen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het van belang is om, ook gelet op de leeftijd van [minderjarige], gehoor te geven aan haar wens en daarmee bovendien de continuïteit in haar woonsituatie te borgen. De rechtbank zal dan ook de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepalen. Huurrecht Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de woning in Nederland is gelegen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 derde lid aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning. De rechtbank past op grond van Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht toe. Inhoudelijke beoordeling De man en de vrouw willen beiden graag het huurrecht toegedeeld krijgen. De vrouw stelt dat zij, nu zij de zorg heeft over het minderjarige kind, er het meeste belang bij heeft om in de echtelijke woning te blijven wonen. Zij kan niet elders verblijven. De man daarentegen kan overal wonen. Hij kan tijdelijk naar [land] en in zijn woning daar verblijven, waar hij vaak in de wintermaanden verblijft, en hij heeft bovendien een lange inschrijfduur bij Woonnet-Haaglanden, waar hij aanspraak maakt op een gelijkvloerse seniorenwoning. De man stelt daartegenover dat hij als startende woningzoekende te boek staat, zodat hij niet snel aan een woning kan komen. Indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man wordt bepaald, is dit een reden om aan hem de woning toe te wijzen. De fysieke gezondheid van de man is bovendien zeer kwetsbaar en slecht en hij kampt met psychische problematiek. De man kan in de echtelijke woning goed uit de voeten en alle voorzieningen en winkels bevinden zich op korte loopafstand van de woning. Het is voor de man dan ook van groot belang dat hij in de echtelijke woning kan blijven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en aan haar het huurrecht van de echtelijke woning toewijzen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de hoof Draagkracht vrouw Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank ook uit van haar jaaropgave 2023, waaruit een bruto jaarinkomen van € 31.206,- volgt. Op basis hiervan en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en een KGB van € 5.354,-, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2023 op € 2.703,-. Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 1.930,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.175,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 502,-. Draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 597,- per maand (€ 77,- + € 502,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien (€ 346,-). De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 77,- / € 579,- x € 346,- = € 46,- Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 502,- / € 579,- x € 346,- = € 300,- Samen € 346,- Zorgkorting Voor wat betreft de zorgkorting zal de rechtbank in afwijking van het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie geen rekening houden met een zorgkorting. Gebleken is namelijk dat er nauwelijks contact is tussen [minderjarige] en de man, mede ook omdat de man regelmatig in [land] verblijft. Conclusie De rechtbank zal gelet op het voorgaande een door de man aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] te betalen bedrag aan kinderalimentatie vaststellen van € 46,- per maand. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007, Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie. Inhoudelijke beoordeling De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bedrag van € 500,- bruto per maand aan partneralimentatie moet voldoen. De man heeft dit verzoek niet onderbouwd en pas op de zitting heeft de advocaat van de man een behoeftebedrag genoemd, zonder dit te onderbouwen met een berekening. De rechtbank zal het verzoek van de man bij gebrek aan onderbouwing dan ook afwijzen. Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat de man op de zitting ook naar voren heeft gebracht dat de vrouw geen draagkracht heeft voor partneralimentatie. Afwikkeling huwelijksvermogen Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II ter-verordening rechtsmacht heeft om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 eerste lid van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels ook rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen. De rechtbank gaat bij de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel welke verordening van toepassing is, moet worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk van partijen is gesloten na 1 januari 1992 en vóór 29 januari 2019 – namelijk op [datum] 1999 – is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (HVV 1978) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Omdat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór (artikel 3 HVV 1978) of tijdens (artikel 6 HVV 1978) het huwelijk, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. Nu partijen hun eerste huwelijksdomicilie hebben gevestigd in Nederland, is op grond van artikel 4 HVV 1978 Nederlands recht van toepassi De rechtbank overweegt dat uit het stuk dat de vrouw als productie 9 heeft overgelegd, blijkt dat de auto op de peildatum op naam van de man stond. De man heeft daarmee gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een leaseauto. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de auto in de gemeenschap valt. De rechtbank zal de auto toedelen aan de man, waarbij hij de helft van de waarde moet vergoeden aan de vrouw. Om de waarde van de auto te bepalen, moet de auto getaxeerd worden, zoals partijen op de zitting zijn overeengekomen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat indien een taxatie niet meer mogelijk is, omdat de auto niet meer onder de man is, partijen gebruiken kunnen maken van de ANWB koerslijst. Ad 5 en 6. auto met kenteken [kenteken 1] en de fietsen Op de zitting zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de vrouw de elektrische fiets houdt en de man de auto met kenteken [kenteken 1] en de gewone fiets, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal aldus bepalen. Ad 7. huis in [land] De vrouw stelt dat de man een huis heeft in [land]. De man stelt echter dat het huis van de familie is en dat meerdere gezinnen gebruik maken van het huis. De rechtbank overweegt dat de vrouw in het licht van de betwisting door de man onvoldoende heeft onderbouwd dat het huis in [land] eigendom is van de man, zodat het verzoek van de vrouw op dit punt zal worden afgewezen. Ad 8. Kippenboerderij in [land] De vrouw stelt dat de man een kippenboerderij bezit in [land], waarvan zij de waarde op € 400.000,- schat. De vrouw heeft als productie 12 een stuk overgelegd waaruit blijkt dat de man de eigenaar is van deze kippenboerderij. De man heeft op de zitting verschillende verklaringen afgelegd over dit stuk. Zo zou het gaan om een aanvraag ten aanzien van het stuk grond, welke aanvraag niet zou zijn afgemaakt. Op een later moment heeft de man de vrouw beschuldigd van valsheid in geschriften door te stellen dat de vrouw het stuk zelf heeft gemaakt. De man gaf aan dat iedereen ‘zo’n formulier’ kan invullen op internet. De rechtbank overweegt dat uit het stuk blijkt dat het gaat om een rapport van Inspectie van mesterij en dus niet om een aanvraag. In het rapport zijn verschillende aspecten van de kippenboerderij beoordeeld. Het rapport is bovendien ondertekend door drie commissieleden. Volgens de vertaling is het stuk daarnaast gewaarmerkt door ‘De directeur van het directoraat Diergeneeskundige in het gouvernement’. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat de man de kippenboerderij bezit en dat de kippenboerderij in de gemeenschap valt. De rechtbank zal de kippenboerderij toedelen aan de man en daarbij bepalen dat hij de helft van de waarde van de kippenboerderij aan de vrouw dient te vergoeden. De vrouw heeft niet onderbouwd gesteld dat de kippenboerderij € 400.000,- waard is. De man betwist dit, maar heeft hier geen waarde tegenover gesteld. Nu de rechtbank onvoldoende geïnformeerd is over de waarde, zal de rechtbank bepalen dat de kippenboerderij getaxeerd moet worden op een wijze die gebruikelijk is in [land]. Beslissing De rechtbank: * spreekt uit de echtscheiding tussen de man en de vrouw, met elkaar gehuwd op [datum] 1999 te [land]; * bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1], bij de vrouw zal zijn; * bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te [postcode] [plaats]; * bepaalt de door de man met ingang van 12 december 2023 te betalen alimentatie voor [minderjarige] op € 46,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen; * stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: bepaalt dat