Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:2370
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,431 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8099 (bodemprocedure) en FA RK-2481 (223 Rv)
Zaaknummer: C/09/675516 (bodemprocedure) en C/09/675522 (223 Rv)
Datum beschikking: 16 januari 2025
Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 11 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.M.J. van Poppel in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A. Vijftigschild in Leidschendam.
Procedure
De rechtbank heeft in beide zaken kennis genomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek.
Op 10 januari 2025 zijn op de zitting van deze rechtbank het verzoek in de bodemzaak en het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gecombineerd behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn nadere stukken overgelegd.
Feiten
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van 1 oktober 2016 tot 4 maart 2021.
Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] .
[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
Bij beschikking van de rechtbank in Overijssel van 23 februari 2021 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het door de ouders ondertekende echtscheidingsconvenant, tevens houdende een ouderschapsplan, deel uitmaakt van de beschikking.
Verzoek en verweer
Het verzoek in de bodemzaak (FA RK 24-8099 C/09/675516)
De vader verzoekt te bepalen dat:
de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt gewijzigd naar de vader;
de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in zal stellen welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] kan worden geacht.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig te bepalen dat:
de vader de inhoud van het ouderschapsplan, zoals bekrachtigd bij beschikking van de rechtbank in Overijssel van 23 februari 2021, nakomt.
de zorgregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan en bekrachtigd bij beschikking van de rechtbank in Overijssel van 23 februari 2021 zal blijven gelden.
Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (FA RK 24-8101 C/09/675522)
De vader verzoekt te bepalen dat:
[minderjarige] aan de vader wordt toevertrouwd;
de zorgregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan en bekrachtigd bij beschikking van de rechtbank in Overijssel van 23 februari 2021, wordt geschorst in afwachting van de bodemprocedure;
er een tijdelijke zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder zal gelden, waarbij de moeder wekelijks videobelt met [minderjarige] op:
maandag om 15.15 uur;
donderdag om 15.15 uur;
zondag om 15.00 uur.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Op de mondelinge behandeling van de zaak is het volgende gebleken. De ouders zijn na het uiteengaan een ouderschapsplan overeengekomen, waarin zij een co-ouderschapsregeling hebben vastgelegd. Deze regeling houdt concreet in dat [minderjarige] wekelijks van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader verblijft en de overige dagen bij de moeder. In de loop van 2023 zijn er problemen ontstaan bij de moeder. [minderjarige] is toen, in onderling overleg tussen de ouders, meer tijd bij de vader gaan verblijven. Uit het verslag van Veilig Thuis blijkt dat er vanaf 10 augustus 2023 zorgmeldingen zijn gedaan door de politie over de moeder, in verband met ernstige conflicten met derden (dus niet de vader) en alcoholgebruik. Vanaf 13 september 2024 verblijft [minderjarige] , op advies van de Raad en Stichting ZO!, volledig bij de vader. Er is momenteel af en toe videobelcontact tussen [minderjarige] en de moeder. Uit het reclasseringsadvies van Fivoor van 28 november 2024 blijkt dat de moeder onder behandeling is geweest bij Brijder. Uit het verslag van Brijder van 22 november 2024 blijkt dat er bij de moeder een stoornis in het gebruik van cocaïne, tabak en cannabis is vastgesteld. Daarnaast is zij gediagnosticeerd met PTSS. De behandeling is 21 november 2024 afgerond. Aangegeven is dat de moeder, bij een terugval in gebruik, trauma- of burn-out klachten, zich opnieuw kan aanmelden.
Ter zitting is besproken dat er tussen de ouders veel is voorgevallen. De vader heeft het idee dat de moeder niet eerlijk tegen hem is geweest door hem niet over haar verslaving te vertellen. Het vertrouwen van de vader in de moeder moet worden hersteld. De ouders moeten hiervoor in het belang van [minderjarige] samen aan de slag. Ook is het van belang voor [minderjarige] dat er weer fysiek contact met de moeder gaat plaatsvinden. Op de zitting zijn de volgende afspraken gemaakt.
Aan [minderjarige] moet worden uitgelegd wat er het afgelopen jaar is gebeurd en waarom ze de moeder een tijd niet heeft gezien. De ouders moeten daarvoor samen met hulpverlening een voor [minderjarige] te begrijpen gezamenlijk verhaal maken en aan haar uitleggen. De vader zal hiervoor contact opnemen met het wijkteam, nu zij de ouders daarbij kunnen helpen.
Verder is op zitting ook de mogelijkheid besproken om een mediationtraject te starten. Beide ouders hebben zich bereid verklaard om in het belang van [minderjarige] te werken aan het herstel van het onderlinge vertrouwen en de communicatie. Op de zitting is afgesproken dat de rechtbank de contactgegevens van de ouders zal doorgeven aan het mediationbureau van de rechtbank. Het mediationbureau zal vervolgens contact opnemen met de ouders of hun advocaten om een en ander in gang te zetten.
Het voorgaande betekent met betrekking tot de verzoeken het volgende. De rechtbank zal [minderjarige] voorlopig toevertrouwen aan de vader. Hij kan dan de benodigde hulpverlening opstarten. De voorlopige zorgregeling zal worden vastgelegd zoals de ouders op de zitting zijn overeengekomen. Deze afspraak houdt in dat [minderjarige] wekelijks op maandagmiddag van 15.30 tot 17.30 uur bij de moeder zal zijn. De moeder haalt [minderjarige] op bij de vader thuis en brengt haar ook weer terug bij de vader. De ouders kunnen deze regeling eventueel in mediation aanpassen en/of uitbreiden. De rechtbank zal de verzoeken in de bodemprocedure voor het overige aanhouden tot na te melden datum in afwachting van het verloop van de mediation.
Dictum
De rechtbank:
met betrekking tot het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (FA RK 24-8101 C/09/675522):
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , voorlopig aan de vader zal worden toevertrouwd;
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] in afwijking van hetgeen partijen hebben afgesproken in het ouderschapsplan, voorlopig bij de moeder zal zijn: op maandagmiddag van 15.30 uur tot 17.30 uur, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader ophaalt en weer terugbrengt;
wijst het meer of anders verzochte af;
met betrekking tot het verzoek in de bodemzaak (FA RK 24-8099 C/09/675516):
verwijst de ouders naar een mediator om te werken aan hun onderlinge vertrouwen en te trachten hun geschil ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
houdt iedere verdere beslissing aan tot 15 april 2025 pro forma in afwachting van de resultaten van de hulpverlening en de mediation;
bepaalt dat de ouders zich uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde pro formadatum schriftelijk dienen uit te laten over het resultaat van de hulpverlening door het wijkteam, de mediation en de gewenste voortgang van deze procedure;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, bijgestaan door S.A.L. Niemantsverdriet als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2025.