Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:22560
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,152 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56584
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. Aan de ophouding van eiser kleeft geen gebrek. Verder kunnen de zware en lichte gronden de maatregel van bewaring dragen, had de minister niet moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling en duurt de bewaring op dit moment niet langer dan noodzakelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 18 november 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Mocht de minister eiser tijdens de ophouding horen in afwezigheid van zijn gemachtigde?
3. Eiser betoogt dat de minister hem tijdens de ophouding niet had mogen horen in afwezigheid van zijn gemachtigde. Eiser heeft bij aanvang van de ophouding verklaard prijs te stellen op rechtsbijstand van een advocaat. Het gehoor tijdens de ophouding heeft echter zonder aanwezigheid van eisers gemachtigde plaatsgevonden en bij aanvang van dit gehoor is ook niet aan eiser gevraagd of hij daarmee akkoord was. Dat had, gelet op de wens van eiser bijgestaan te worden, wel gemoeten. Bovendien valt ook niet in te zien waarom niet met het gehoor had kunnen worden gewacht tot de gemachtigde van eiser daarvoor beschikbaar was. Zij was immers in hetzelfde gebouw aanwezig, maar nam op dat moment nog deel aan een gehoor van een andere vreemdeling en was een uur na aanvang van het gehoor tijdens de ophouding beschikbaar. Als gevolg hiervan moet eiser onmiddellijk in vrijheid worden gesteld, en anders een belangenafweging worden gemaakt die in zijn voordeel uitvalt.
3.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Deze bepaling strekt niet zo ver dat tijdens de ophouding altijd een gehoor dient plaats te vinden. Een gehoor kan met name achterwege worden gelaten als de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling vaststaan en de vreemdeling ter onmiddellijke voorbereiding op de inbewaringstelling en het daaraan voorafgaande gehoor wordt overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich hier voor. Tijdens een eerdere asielaanvraag heeft eiser een originele Turkse identiteitskaart overgelegd, en uit het dossier blijkt verder dat eiser tijdens de ophouding in het bezit was van een W-document, omdat dat in ieder geval vóór de inbewaringstelling in bewaring is genomen. Daarnaast is eiser meteen overgebracht naar de locatie van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel waar ook het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet daarom niet in waarom het nog nodig was om eiser tijdens de ophouding te horen, zodat het ervoor kan worden gehouden dat dit gehoor ten overvloede heeft plaatsgevonden. Een eventueel gebrek in dat gehoor (voor zover dat al aanwezig is) kan, anders dan eiser betoogt, daarom niet leiden tot onrechtmatigheid van de ophouding.
Heeft de minister de maatregel van bewaring gebaseerd op de juiste juridische en feitelijke grondslag?
4. Eiser heeft in zijn beroepsgronden betoogd dat de minister de maatregel van bewaring niet heeft gebaseerd op de juiste juridische en feitelijke grondslag. In het geval van eiser is allereerst geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (de b-grond) en is daarnaast geen sprake van een risico op onttrekking aan het toezicht.
4.1.
Op de zitting heeft eiser de rechtbank verzocht zijn betoog over de b-grond te lezen in het kader van de vraag of de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. De rechtbank beoordeelt daarom in dit verband alleen nog de vraag of de minister zich op het standpunt mocht stellen dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht.
4.2.
In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. De minister heeft onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) als zware gronden vermeld dat eiser:
(3a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
(3b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
(3c) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(3i) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser
(4a) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
(4b) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
(4c) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en
(4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.3.
De minister heeft de lichte grond 4a op de zitting laten vallen. Deze lichte grond ligt daarom niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
4.4.
Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist. De zware grond 3b is volgens eiser feitelijk niet juist, omdat de door de minister tegengeworpen meldingen dat hij met onbekende bestemming is vertrokken (de zogenoemde MOB-meldingen) niet zijn geregistreerd of overgelegd, en eiser zichzelf na die MOB-meldingen meermaals heeft gemeld in Ter Apel. Verder is de zware grond 3c volgens eiser feitelijk niet juist, omdat de minister slechts heeft tegengeworpen dat eiser ondanks eerder procederen niet uit Nederland is vertrokken. De minister heeft echter niet toegelicht waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden aanwezig om te kunnen aannemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser zelf heeft verklaard dat hij is ondergedoken nadat hij zich in Ter Apel had gemeld. Eiser heeft daarmee bevestigd dat hij ten minste eenmaal met onbekende bestemming is vertrokken. Dat de minister de registratie van deze MOB-melding niet heeft overgelegd, is dan ook niet van belang. Daarnaast is de zware grond 3c feitelijk juist, omdat eiser op 13 september 2023 een terugkeerbesluit heeft gekregen en daaraan geen gevolg heeft gegeven. Dat eiser nu een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend en het dus niet redelijk is om hem zijn vertrekplicht tegen te werpen, zoals eiser op zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Het gaat in het kader van artikel 59b van de Vw 2000 immers om de onderbouwing van het risico dat eiser zich gedurende zijn nieuwe asielaanvraag aan het toezicht op vreemdelingen gaat onttrekken en dat kan – onder meer – worden afgeleid uit het feit dat eiser aan een eerdere vertrekplicht niet heeft voldaan. De minister kan in de maatregel verder volstaan met de vaststelling dat deze grond feitelijk juist is en is dus, anders dan eiser stelt, niet gehouden om (ook) toe te lichten waarom uit die zware grond een risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit. Omdat de zware gronden 3b en 3c samen voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht, kan wat is aangevoerd over de andere zware en lichte gronden niet leiden tot een ander oordeel.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. In de eerste plaats stelt eiser dat niet duidelijk is welke gegevens door middel van de bewaring hadden kunnen worden verkregen, omdat de minister dat niet heeft gemotiveerd.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Deze maatregel is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7877, r.o. 2.9.
Zie het verslag van het aanmeldgehoor van 19 november 2021, p. 4.
Zie het ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en/of identiteitspapieren van 18 november 2025 (model M101-a).
Vergelijk ABRvS 2 augustus 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AG9186, JV 2001/256, r.o. 2.5.
Zie artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
In het bijzonder artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
Zie het proces-verbaal van het gehoor van 18 november 2025, p. 4.
Zie ook het proces-verbaal van het gehoor van 18 november 2025, p. 4.
ABRvS 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338, r.o. 13.2, met verwijzing naar ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zie ook artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000.
Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Utrecht) 26 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14730 en Rb. Den Haag (zp Utrecht) 14 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14264.
Eiser wijst op artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn.
Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Roermond) 6 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14301, r.o. 46.
ABRvS 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, r.o. 2; ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2852, r.o. 2.2-2.3.
Zie de maatregel van bewaring van 18 november 2025, p. 4-5.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).