Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:22531
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,993 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44278
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiseres met de [naam bende] in Bogota ongeloofwaardig zijn. Ook acht de minister, aldus eiseres, ten onrechte de verklaring van eiseres omtrent haar late asielaanvraag ongeloofwaardig. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiseres heeft op 10 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
2.4.
Eiseres heeft bij bericht van 7 oktober 2025 nog schriftelijk gereageerd op de ter zitting opnieuw door de minister ingebrachte hyperlink naar een website van de Canadese immigratiedienst, zoals ter zitting besproken. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is in Colombia werkzaam geweest als nagelstylist. Vanwege haar werkzaamheden als nagelstylist is eiseres vaak de wijk uit geweest. Bij het bezoeken van haar klanten is zij over onzichtbare grenzen van bendes gegaan. Omdat eiseres vroeg vertrok en in de avond terugkwam dacht de [naam bende] dat eiseres een informante was. Zij is in oktober 2021 met een wapen bedreigd. Zij is daarom naar een familielid in Barranquilla gegaan maar vanwege de hitte aldaar na een maand teruggekomen. In februari 2022 is zij wederom met een wapen bedreigd hetgeen zij alleen door toeval heeft overleefd. Eind februari 2022 is eiseres gebeld door een onbekende vrouw die haar verantwoordelijk hield voor huiszoekingen door de Colombiaanse autoriteiten. Toen is zij gevlucht. Volgens eiseres heeft zij niet alleen te vrezen voor de [naam bende], maar ook voor de guerrilla en dissidenten waarmee de bende samenwerkt. Als eiseres terug moet naar Colombia vreest zij door de [naam bende] te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met de [naam bende]
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen van eiseres met de [naam bende] acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres heeft tegenstrijdig verklaard over de reden van haar asielaanvraag. De documenten die eiseres heeft overgelegd onderbouwen haar verklaring niet. Verder werpt de minister eiseres tegen dat zij niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Daarnaast blijkt niet dat eiseres bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiseres uit Colombia komt is onvoldoende om haar aan te merken als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Mocht de minister stellen dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?
5. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Volgens eiseres heeft zij niet eerder een asielaanvraag ingediend omdat zij voornemens was terug te keren naar Colombia. Het moment dat de dochter van eiseres in Colombia echter pamfletten met dreigementen over haar moeder ontving, realiseerde eiseres zich dat ze niet kon terugkeren. Daarvoor werd de dochter van eiseres vaak gebeld door anonieme bellers met de vraag waar haar moeder was. Het feit dat de naam van eiseres niet op het pamflet stond komt omdat het niet gebruikelijk is dat dreigpamfletten van een afzender en geadresseerde worden voorzien. Het wordt voor de deur gelegd zodat de geadresseerde weet dat het aan hem of haar is gericht. Aan het door de minister ingebrachte rapport van de Canadese immigratiedienst, waaruit volgens de minister volgt dat de pamfletten niet zijn opgemaakt zoals normaliter met dergelijke pamfletten het geval is, komt geen bewijswaarde toe omdat het geen deskundigenadvies is dat inzichtelijk en concludent is voor de conclusies die de minister daarop baseert. Bovendien blijkt uit het rapport dat niet alle pamfletten altijd de naam van de ontvanger, een datum, en een logo of naam van de afzender bevatten. Hieraan voegt eiseres toe dat het tijdsverloop tussen de bedreigingen niet zodanig is dat de verklaringen van eiseres daardoor geloofwaardigheid verliezen. Tot slot betoogt eiseres dat de minister ten onrechte niet inziet dat eiseres zeven maanden nadat zij uit Colombia is vertrokken nog steeds wordt gezocht. Volgens eiseres verwachtten de bendeleden dat eiseres vanwege het overlijden van haar zoon terug zou keren.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend en daar geen verschoonbare reden voor heeft. Vast staat dat eiseres op 7 maart 2024 Nederland is ingereisd en op 10 juni 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Eiseres betoogt dat zij een asielaanvraag heeft ingediend nadat haar dochter pamfletten met dreigementen voor haar ontving. Eiseres heeft eerder verklaard dat zij in oktober 2021 in de wijk Mesa is bedreigd met een wapen. Daarbij werd tegen haar gezegd dat zij niet meer mocht terugkeren. Vanwege deze bedreiging heeft eiseres in december 2021 een maand bij een familielid in Barranquilla verbleven. Eiseres verklaart in februari 2022 wederom over onzichtbare grenzen te zijn gegaan en dat zij wederom werd bedreigd met een wapen en toen is gepoogd haar te doden. Toen echter een politieauto met sirenes te horen was zijn de daders ervandoor gegaan waarbij haar is gezegd dat zij weg moest gaan en nooit meer terug moest komen omdat een engeltje haar die dag had gered, zo verklaart eiseres. Gelet op de verklaringen van eiseres dat zij eerder bedreigd is en gepoogd is haar te vermoorden, en zij om die reden reeds een keer was uitgeweken naar Barranquilla, stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat eiseres eerst door het ongeadresseerde pamflet inzag dat zij niet kon terugkeren naar Colombia en eerst om die reden asiel heeft aangevraagd. Daar komt bij dat de minister in het voornemen en op zitting terecht stelt dat de door eiseres overgelegde pamfletten niet zijn opgemaakt op een wijze zoals blijkt uit openbare landeninformatie. Anders dan eiseres stelt is wel degelijk inzichtelijk op welke wijze het rapport kon bijdragen aan de conclusies van de minister omdat het immers relevant is dat dergelijke pamfletten meestal (“usually”) de naam van de ontvanger, een datum en een logo of naam van de afzender bevatten. Het valt daarom niet in te zien waarom de minister dit rapport niet kon gebruiken. Dat er soms ook pamfletten in omloop worden gebracht die niet volgens de door het rapport beschreven typische wijze worden opgemaakt doet aan dit alles niet af. De minister wijst er bovendien terecht op dat uit de pamfletten hoe dan ook niet valt af te leiden dat deze aan eiseres gericht zijn. Dat de dochter van eiseres anoniem wordt gebeld met de vraag waar haar moeder is, heeft eiseres, zoals de minister terecht opmerkt, niet onderbouwd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiseres zeven maanden na haar vertrek uit Colombia nog steeds wordt gezocht. Daarbij is van belang dat eiseres heeft voldaan aan de eis van de bende dat zij zich niet meer in de wijk mocht laten zien. De stelling van eiseres dat de bende ongetwijfeld dacht dat zij terug zou komen voor de begrafenis van haar zoon, heeft de minister mogen beschouwen als een niet onderbouwd vermoeden van de kant van eiseres dat niet kan afdoen aan dat wat de minister heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister terecht overwogen dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van haar vertrek en over haar motivatie om opnieuw de onzichtbare grenzen over te gaan?
6. Eiseres betoogt dat haar asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is geacht en de door haar overgelegde landeninformatie door de minister onvoldoende is meegewogen. Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiseres aan dat zij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van haar asielaanvraag. Eiseres zou bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en mensenhandel (AVIM) hebben verklaard dat zij uit Colombia is vertrokken omdat er zeven jaar geleden een aanslag op haar is gepleegd waarbij een motorrijder haar opzettelijk heeft aangereden waardoor zij pijn heeft aan haar knie. Volgens eiseres gaat het hier om een misverstand in de vertaling.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000.
Verslag nader gehoor, p. 6.
Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de minister naar Responses to Information Requests - Immigration and Refugee Board of Canada.
Proces-verbaal verhoor AVIM, p. 2.
Verslag nader gehoor, p. 8.
Verslag nader gehoor, p. 13.