Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:22484
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40396
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser bericht dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat op 4 september 2025 de zogenoemde tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser mag vanaf 4 september 2025 niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en Nederland.
Eiser heeft op 25 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 1 oktober 2025 zijn de gronden van beroep ingediend.
Bij brief van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank partijen gemeld dat zij voornemens is om uitspraak te doen zonder zitting, tenzij partijen de rechtbank uiterlijk 21 oktober 2025 hebben laten weten om op een zitting te willen worden gehoord.
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft de minister aangegeven akkoord te zijn met een uitspraak zonder zitting.
Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verder achter wege blijft.
Het onderzoek is op 5 november 2025 gesloten.
Overwegingen
Standpunt van eiser
1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij betoogt dat het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in de weg staan aan het beëindigen van het recht op tijdelijke bescherming. Het opgelegde terugkeerbesluit is bovendien disproportioneel. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van het EVRM en een refoulementbeoordeling. Tot slot stelt eiser dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.
Beëindiging van de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024
2. Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
2.1.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór19 juli 2022 ingeschreven waren in de Basisregistratie personen (Brp) op 4 maart 2024 eindigt.
2.2.
Bij brief van 7 februari 2024 is eiser bericht dat 4 maart 2024 de laatste dag is waarop hij recht heeft op tijdelijke bescherming en dat dit recht automatisch stopt na4 maart 2024.
2.3.
Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) - kort samengevat - geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is.
2.4.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen.
Stopzetten van bevriezingsmaatregel met ingang van 4 september 2025
3. Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld. De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet.
Terugkeerbesluit
4. Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 28 juli 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
5. Anders dan eiser bepleit, ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn en in het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
5.1.
Artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn Tijdelijke Bescherming, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.
5.2.
Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 28 juli 2025 genomen.
5.3.
Op 28 juli 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 28 juli 2025 dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
6. De in de gronden van beroep betrokken stellingen treffen geen doel. In het bestreden besluit heeft de minister het familie-en gezinsleven van eiser alsmede het privéleven zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM betrokken. Ook heeft de minister gemotiveerd waarom er geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar zijn land een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Het door eiser gestelde kan niet leiden tot een ander oordeel. Gelet op het Hof van Justitie en de Afdeling over het beëindigen van de tijdelijke bescherming is er geen sprake van disproportionaliteit, schending van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Zie ook: de uitspraak van deze zittingsplaats van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.
ABRvS 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1366.
Brief van de minister van 25 april 2024, Kamerstukken II, 36 394, nr. 24.
Brief van de minister van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 19 637, nr. 3434.
Richtlijn 2008/115/EG.
Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5214.