Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:22466
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
905 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:22466 text/xml public 2026-03-25T09:44:52 2025-11-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-07 NL25.6807 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22466 text/html public 2025-12-05T10:59:32 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:22466 Rechtbank Den Haag , 07-11-2025 / NL25.6807 pkv, verzoek om proceskostenvergoeding, intrekking beroep tegen niet tijdig beslissen RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.6807 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], belanghebbende (gemachtigde: mr. N.C. Blomjous), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. 1.1 Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek. 1.2 De asielaanvraag is op 2 april 2025 afgewezen. Vervolgens heeft belanghebbende zijn beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. 1.3 De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank moet beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen. 3. Belanghebbende heeft op 5 oktober 2022 een asielaanvraag ingediend bij verweerder. Op 24 januari 2024 heeft belanghebbende verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Belanghebbende heeft vervolgens op 15 mei 2024 beroep ingesteld. Dit beroep is door deze rechtbank op 19 juni 2024 gegrond verklaard, waarbij verweerder is opgedragen om binnen zestien weken te beslissen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. Omdat verweerder zich niet aan de opdracht van de rechtbank heeft gehouden, heeft belanghebbende op 12 februari 2025 onderhavig opvolgend beroep ingesteld. Verweerder heeft op 2 april 2025 (alsnog) een beslissing genomen en de asielaanvraag afgewezen. 4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het nemen van het besluit op de asielaanvraag is tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. Belanghebbende heeft terecht beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De aanvraag is namelijk pas na het instellen van beroep afgewezen. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 453,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Awb. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb. NL24.20849.