Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:22441
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,805 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:22441 text/xml public 2026-02-27T11:26:23 2025-11-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-13 AWB - 24 _ 2780 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026022308 NLF 2026/0387 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22441 text/html public 2026-02-23T14:17:02 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:22441 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 / AWB - 24 _ 2780 IB/PVV - Nu de rechtbank aannemelijk acht dat, anders dan eiser(es) stelt, de rc-vordering van de Holding BV op de partner van eiser(es) heeft bestaan tot het moment van kwijtschelding, heeft de partner van eiser(es) een regulier voordeel genoten en is vermogen van Holding BV op de partner van eiser(es) overgegaan ter grootte van de kwijtgescholden rc-schuld. Verweerder heeft terecht de helft hiervan in box 2 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij eiser(es) in aanmerking genomen bij de vaststelling van de navorderingsaanslag IB/PVV. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/2780 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.J. de Jong), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder, en de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 14 februari 2024 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), alsmede de daarbij vastgestelde vergrijpboete en in rekening gebrachte belastingrente. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde en diens kantoorgenoten mr. M.N.H. Hintzen en [naam 1] , alsmede haar echtgenoot [naam 2] , samen met zijn zuster [naam 3] en zijn broer [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] LLM MSc en [medewerker belastingdienst 3] MSc. De zaak van eiseres is gelijktijdig behandeld met de zaken van haar echtgenoot [naam 2] (SGR 24/2776), zijn zuster [naam 3] (SGR 24/2794) en haar echtgenoot [naam 5] (SGR 24/2755), van zijn broer [naam 6] (SGR 24/2770) en diens echtgenote [naam 7] (SGR 24/2788), van wijlen zijn vader [naam 8] (SGR 24/2783), en van zijn moeder [naam 9] (SGR 24/2766). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 341,87; veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 33,13; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 115,36; veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 115,36; draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 25,50 aan haar te vergoeden; draagt de Staat op het door eiseres betaalde griffierecht van € 25,50 aan haar te vergoeden. Overwegingen 1. Eiseres is sinds [datum 1] 1978 gehuwd met [naam 2] (hierna ook: partner). 2. Sinds [datum 2] 2008 hield [naam 2] 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. (Holding BV). Holding BV hield 4% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. [naam 2] hield daarnaast vanaf 19 november 2002 20% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V., die op haar beurt 80% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. in bezit had. A. Zijn broer ( [naam 6] ), zus en wijlen zijn vader, hielden in dezelfde mate als [naam 2] via persoonlijke houdstervennootschappen en via rechtstreekse belangen in [bedrijfsnaam 3] B.V., middellijk aandelenbelangen in [bedrijfsnaam 2] B.V. In [bedrijfsnaam 2] B.V. werd een rijschool gedreven, naar de rechtbank begrijpt door wijlen de vader van [naam 2] en wijlen zijn broer [naam 10] ( [naam 10] ). 3. In de aangiften vennootschapsbelasting (VPB) van Holding BV voor de jaren 2010 tot en met 2014 zijn onder de post “649 Vorderingen” onder “Vorderingen particip./mijen waarin deelgenomen” bedragen vermeld van respectievelijk € 149.615, € 197.812, € 272.130, € 308.411, € 389.734 en € 409.008. Partijen verstaan deze bedragen als een op de balans van Holding BV geboekte rekening-courant vordering (rc-vordering) op [naam 2] . 4. In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 en 2014, heeft [naam 2] onder de post “30 schulden” voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, een rekening-courantschuld (rc-schuld) aan Holding BV aangegeven van respectievelijk € 308.411 en € 389.734 met daarbij als saldo vermeld € 409.008. 5. Tot 30 november 2015 was [naam 2] enig bestuurder van Holding BV. Op die datum is hij afgetreden als bestuurder en is Stichting [stichting 1] aangetreden als bestuurder. Gelijktijdig met deze bestuurswisseling is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 1] te [plaats 1] . 6. Op 25 mei 2016 is [naam 2] met Holding BV een vaststellingsovereenkomst overgekomen waarin voor zover van belang, het volgende is vermeld: “** na de bestuurswisseling en adreswisseling de nieuwe bestuurder de ontvangen administratie heeft gecontroleerd. ** na voornoemde controle nader uitvoerig onderzoek noodzakelijk bleek op het punt van de Rekening-Courant schuld van de vorige bestuurder in privé, welke als zodanig op de balans van de BV staat vermeld. ** bij het nadere onderzoek naar deze Rekening-Courant schuld in privé aan de BV ongegrond is gebleken en aldus niet bestaat. ** de administratie van de [bedrijfsnaam 1] BV aangepast dient te worden. (…) Komen overeen dat ; 1. de Rekening-Courant schuld welke thans op de balans van [bedrijfsnaam 1] BV als een vordering op de heer [naam 2] in privé staat, na nader onderzoek vanwege de huidige bestuurder, als niet correct dient te worden aangemerkt. 2. de vordering groot € 444.305,62 bestempeld als privé schuld van de heer [naam 2] aan zijn voormalige holding per heden als foutief aangemerkt moet worden. 3. de Rekening-Courant schuld, onder 2 hierboven vermeld, van de heer [naam 2] in zijn geheel, vanwege de reden beschreven onder 1 hierboven, wordt kwijtgescholden. 4. de balans van de [bedrijfsnaam 1] BV zal worden aangepast. 5. beide partijen over en weer thans niets meer van elkaar te vorderen hebben.” 7. Per 30 augustus 2016 is de leiding van Holding BV verplaatst naar [adres 2] , [plaats 2] te [land] . 8. Op 21 oktober 2016 heeft wederom een bestuurswisseling bij Holding BV plaatsgevonden, waarbij Stichting [stichting 1] is afgetreden als bestuurder en Stichting [stichting 2] is aangetreden als nieuwe bestuurder. 9. Holding BV is ontbonden op 21 december 2016. 10. [naam 2] heeft op 29 september 2017 de aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.691, bestaande uit enkel het loon uit [bedrijfsnaam 4] B.V. De rechtbank verstaat dat de rijschool van [bedrijfsnaam 2] B.V. op enig moment is voortgezet in [bedrijfsnaam 4] B.V. 11. Naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rekening-courantverhouding tussen [naam 2] en Holding BV. 12. Bij brief van 11 augustus 2020 is een voornemen tot afwijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2016 en een kennisgeving van de vergrijpboete verzonden naar [naam 2] . 13. Op 7 oktober 2020 heeft een gesprek tussen verweerder en [naam 2] plaatsgevonden waarvan een verslag is opgemaakt. 14. Met dagtekening 6 november 2020 is aan [naam 2] een definitieve aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 342.843, waarbij de helft, te weten € 222.152, van de kwijtgescholden rc-schuld in aanmerking is genomen. 15. Aan eiseres is met dagtekening 19 december 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 opgelegd met als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel eveneens een correctie regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 222.152 zijnde de andere helft van de kwijtgescholden rc-schuld. Tevens is bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 27.770 en is € 7.336 aan belastingrente berekend. 16.
Volledig
Nadat eiseres op 4 augustus 2023 verweerder heeft laten weten af te zien van het recht om te worden gehoord, heeft verweerder op 30 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 is gehandhaafd en de vergrijpboete is verminderd tot nihil. 17. In geschil is de hoogte van de aanslag. Meer in het bijzonder is in geschil of door de kwijtschelding van de rc-schuld, eiseres een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. 18. Partijen verwijzen voor hun standpunten naar hetgeen is aangevoerd in de zaak van de partner van eiseres. Vereiste aangifte 19. Voor de vraag of eiseres de vereiste aangifte heeft gedaan van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, is van geen betekenis of de partner van eiseres de vereiste aangifte heeft gedaan. Bij de vraag of eiseres kan worden verweten niet de vereiste aangifte te hebben gedaan, is van belang dat haar partner gehouden is aan eiseres inzicht te geven wat betreft de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Eiseres kan zich daarom niet erop beroepen dat zij niet de beschikking heeft over informatie over Holding BV die haar partner wel ter beschikking staat, tenzij haar niet kan worden verweten dat zij daarover niet de beschikking heeft dan wel dat haar niet kan worden verweten dat haar die informatie niet ter beschikking is gesteld. Gesteld noch gebleken is dat eiseres over deze informatie beschikte dan wel kon beschikken, en de rechtbank gaat er daarom vanuit dat niet gesteld kan worden dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang 20. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiseres een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten dat zijn oorzaak vindt in de kwijtschelding van de rc-schuld van haar partner aan Holding BV, en dat bij helfte aan haar op grond van artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001 is toegerekend. De rechtbank acht verweerder geslaagd in deze bewijslast op dezelfde gronden als overwogen in onderdeel 22 van de uitspraak in de zaak van de partner, onder nummer SGR 24/2776 eveneens uitgesproken op 13 november 2025. Gegeven dat oordeel is niet in geschil dat het regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij helfte aan eiseres is toegerekend. Evenredigheidsbeginsel/menselijke maat 21. Anders dan eiseres stelt, is niet gebleken dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld en geen oog zou hebben gehad voor de menselijke maat. De rechtbank overweegt in dit verband dat gesteld zou kunnen worden dat geen sprake is van een evenredige heffing in geval deze niet zou berusten op een bewezen rc-schuld die is kwijtgescholden door Holding BV. In dat geval ook zou met het handhaven van de aanslag de menselijke maat uit het oog verloren kunnen worden. Aangezien de rechtbank echter het bestaan van de rc-schuld wel bewezen acht, ontvalt daarmee de grond voor deze standpunten van eiseres. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aan eiseres in de bezwaarfase mogelijkheden zijn geboden, en benut, om met verweerder meermaals in contact te treden, niet alleen om bezwaren in te kunnen brengen tegen de navorderingsaanslag, maar ook om de mogelijkheid van een compromis te beproeven. Ook verweerder heeft gepoogd de zaak in der minne te schikken. Eigendomsrecht en individuele en buitensporige last 22. Eiseres heeft aangevoerd dat het betalen van de navorderingsaanslag mogelijk leidt tot het moeten interen op vermogen. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat met de ontvanger afspraken zijn te maken omtrent betalingsregelingen. De rechtbank acht hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij zal moeten interen op vermogen. De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres geen enkel inzicht heeft verschaft in haar huidige inkomen en vermogen. De rechtbank concludeert daarom dat niet aannemelijk is dat de aanslag leidt tot een individuele en buitensporige last en mitsdien geen sprake is van strijd met het eigendomsrecht. In het voorgaande is reeds geoordeeld dat eiseres vanwege de kwijtschelding van de rc-schuld aan Holding BV een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Het standpunt van eiseres dat het in de belastingheffing betrekken van dit voordeel in strijd is met het eigendomsrecht van artikel 1 EP bij het EVRM, berust op een onjuiste rechtsopvatting. 23. Aangezien verweerder de belastingrente op grond van artikel 30fc AWR heeft berekend over het positieve bedrag van de belastingaanslag, is niet gebleken dat de belastingrente niet tot de juiste hoogte is vastgesteld. 24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. Verzoek om een immateriële schadevergoeding 25. Op dezelfde gronden als die vermeld in onderdeel 31 van voormelde uitspraak in de zaak van haar partner, is aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend van in totaal € 375 ([€ 2.735+265]*1/8), waarbij eenzelfde verdeling van die vergoeding tussen de Staat en verweerder is aangehouden. 26. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten nu eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding. Het bedrag van de proceskosten is gelijk aan het bedrag dat is toegekend aan haar partner in onderdeel 32 van voormelde uitspraak in zijn zaak, waarbij eenzelfde verdeling van die kostenveroordeling tussen de Staat en verweerder is aangehouden. 27. Eiseres heeft in haar aanvullend beroepschrift van 30 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 18 januari 2023 was overschreden, zodat eiseres recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht. Verweerder en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Vgl. HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1526, BNB 2014/214. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.