Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:22318
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33730
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 juni 2025, op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, aanvaard.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser is van mening dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert aan dat hij in Duitsland geen adequate opvangvoorzieningen zal krijgen, en dat dit strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Hierbij wijst eiser op het Country Report Germany, update 2021 van 8 april 2022 van AIDA, waaruit blijkt dat de faciliteiten die in opvangcentra in Duitsland worden aangeboden vaak niet voldoen aan de basisbehoeften en dat er vaak gebrek is aan privacy. Het gebrek aan privacy blijkt ook uit het feit dat sanitaire faciliteiten soms door 10 tot 12 personen gebruikt moeten worden. Tevens blijkt uit onderzoeken die zijn gedaan in 2020 dat er inbreuk wordt gemaakt op rechten van kinderen, waardoor er een gevaar voor hun gezondheid ontstaat. Ook wordt de gezondheidszorg omschreven als zorgwekkend en ontoereikend in de meeste instellingen. Verder beroept eiser zich op het AIDA Country Report Germany, update 2022 van 7 april 2023. Hieruit blijkt dat de omstandigheden waaronder asielzoekers werden opgevangen in 2022 verslechterden ten gevolge van massieve overbevolking door de oorlog in Oekraïne en de situatie in Afghanistan, aldus eiser.
5.1.
Verder voert eiser aan dat ook uit zijn persoonlijke ervaring blijkt dat er geen adequate opvang is in Duitsland. Zo heeft hij moeten ervaren dat hij in het asielzoekerscentrum werd lastig gevallen en met de dood werd bedreigd door uit Syrië afkomstige asielzoekers. Een van deze personen heeft eiser zelfs met een mes in de linkerzijde van zijn buik gestoken. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan, maar de politie heeft hier niks mee gedaan. Ook heeft eiser geen hulp gekregen van zijn Duitse advocaat, omdat hij zijn advocaat niet kon betalen. Eiser doet verder beroep op het AIDA Country Report Germany, update 2023 van 10 juli 2024, waaruit blijkt dat er steeds meer raciaal gemotiveerde aanvallen in Duitsland plaatsvinden op asielzoekers en vluchtelingen. Ook wordt hierin beschreven dat het voorkomt dat er ratten rondrennen in het asielzoekerscomplex, dat de gebouwen stinken en dat de sanitaire voorzieningen beschimmeld zijn.
5.2.
Tot slot voert eiser aan dat hij in Duitsland geen recht op gratis rechtsbijstand heeft, waardoor hij zijn klachten niet gratis aan een advocaat kan voorleggen. Het recht op gratis rechtsbijstand is vastgelegd in artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Eiser is praktiserend homoseksueel en dat hij vreest in Egyptische voor de autoriteiten en zijn familie. Omdat zijn asielaanvraag al twee keer is afgewezen door de Duitse autoriteiten, zal een overdracht naar Duitsland gelijk staan aan indirect refoulement.
6. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 en 14 februari 2025. De Afdeling heeft in die laatste uitspraak geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die reeds in eerdere uitspraken zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van deze jurisprudentie af te wijken. Niet is gesteld dat de door eiser aangehaalde AIDA-rapporten blijk geeft van een voor hem relevante verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. Verder kan op basis van de enkele, niet onderbouwde stellingen van eiser dat hij in Duitsland geen adequate opvang zal krijgen onder verwijzing naar de Opvangrichtlijn, niet worden geconcludeerd dat Duitsland zich niet aan zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers houdt of dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asielsysteem waarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo wordt bereikt. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Daaruit mag ook worden afgeleid dat zij eiser zullen behandelen en opvangen in overeenstemming met de Procedurerichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, en de Opvangrichtlijn.
6.2.
De verwijzing van eiser naar de landeninformatie over Duitsland waaruit blijkt dat asielzoekers steeds meer te maken krijgen met geweld en racisme in de opvang, leidt evenmin tot het oordeel dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hierdoor de Jawo-drempel wordt bereikt. Ook uit de eerdere ervaringen van eiser in Duitsland volgt niet dat hij in de opvangvoorzieningen in Duitsland een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en/of 4 van het EU Handvest. Eiser heeft de gestelde messensteek en zijn opname in het ziekenhuis, niet nader met medische stukken onderbouwd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Pagina 131 en 133.
Pagina 151 tot en met 155.
Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en Afdeling 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
HvJEU 21 december, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865 (arrest N.S.), punt 82.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
Afdeling 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
Afdeling 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
Arrest Jawo.
Arrest van het HvJEU van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, punt 129 tot en met punt 152.