Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:2192
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44203
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
en zijn minderjarige zoon [kind 1]
(gemachtigde: mr. I. Wudka),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.M. Luik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en heeft op 26 oktober 2023 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 november 2024 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep samen met NL24.44204 op 20 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet bij de behandeling ter zitting aanwezig.
Beoordeling
2. Het beroep is gegrond, maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat - ten grondslag dat hij een buitenechtelijk kind heeft gekregen in zijn relatie met zijn overleden partner. Daarom kan eiser niet terugkeren naar Somalië. De zoon van eiser zal worden gezien als een onwettig kind. Eiser vreest bij terugkeer voor de ex-man van zijn overleden partner. Ook vreest hij dat zijn zoon zal worden buitengesloten en gediscrimineerd.
3.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Het asielrelaas zoals hierboven beschreven onder 3.
3.2.
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook acht de minister geloofwaardig dat eiser in Denemarken is getrouwd met [naam] (die inmiddels is overleden) en met haar een kind heeft gekregen. Aanvullend acht de minister geloofwaardig dat de partner van eiser eerder getrouwd is geweest met een man in Somalië en van hem is gescheiden en dat eiser van zijn moeder en partner heeft gehoord dat de ex-man het niet eens was met de scheiding. De geloofwaardige asielmotieven maken volgens de minister echter niet dat eiser een vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade?
Vrees voor ex-man overleden echtgenote
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn vrees voor de ex-man van zijn overleden echtgenote bij terugkeer naar Somalië niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser kan niet aangeven waarom de ex-man hem op het oog zou hebben en waarom hij vreest te worden gedood. Eiser verklaart dat hij vermoord zou kunnen worden omdat de gemeenschap zegt dat zijn huwelijk ongeldig is. Eiser heeft alleen niet inzichtelijk of aannemelijk gemaakt dat dit een reden is om te vrezen om vermoord te worden. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de gemeenschap op deze manier naar zijn huwelijk kijkt, terwijl zijn huwelijk door sommige geleerden wél wordt erkend. Verder denkt eiser dat hij vermoord zal worden omdat zijn moeder dat tegen hem heeft gezegd. Dit is een verklaring van horen zeggen en ook zijn eisers eigen verklaringen op dit punt tegenstrijdig en vaag. Naast het feit dat eisers verklaringen over het incident vaag zijn, heeft het incident in 2019 plaatsgevonden en heeft eiser hierna niets meer vernomen. Daarom is het niet aannemelijk dat de ex-man nog op zoek naar eiser is. Daar komt bij dat eiser niet is bedreigd en dat hij niet op een andere manier in de negatieve aandacht is komen te staan van de ex-man. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in contact zou komen met de ex-man als hij terugkeert naar Mogadishu. Eiser weet ook niet waar de ex-man zich op dit moment bevindt.
4.1.
Eiser betoogt dat hij zijn gegronde vrees – anders dan de minister stelt – wél heeft geconcretiseerd. Eiser hoeft zijn relaas namelijk alleen aannemelijk te maken en heeft aangegeven dat hij de informatie van zijn moeder heeft gekregen die dat uit eerste hand heeft vernomen. Dat is dan vervolgens wel van horen zeggen, maar daar waar eiser geen andere bewijsmiddelen kan voorleggen, moet de minister hem volgen omdat het aannemelijk is en door hem is verteld in een consistent relaas. Eiser betoogt dat hij consistent heeft verklaard over zijn vrees te worden vermoord door de ex-man van zijn overleden echtgenote. Die vrees komt voort uit het feit dat hij een kind heeft verwekt bij zijn overleden echtgenote terwijl de ex-man ervan uitging dat de overleden echtgenote nog steeds met hem getrouwd was. Door te blijven volhouden dat eiser zijn vrees aannemelijk moet maken, is geen sprake van een genoegzame samenwerking.
4.2.
De rechtbank zal allereerst ingaan op het betoog van eiser dat hij consistent heeft verklaard, omdat de besluitvorming op dit onderdeel gebreken kent. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. 4.3. De minister acht in het bestreden besluit geloofwaardig dat eiser onder andere van zijn moeder heeft gehoord dat de ex-man het niet eens is met de scheiding. In de beoordeling van de vraag of eiser op grond hiervan te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer werpt de minister eiser echter tegen dat hij hierover tegenstrijdig en vaag heeft verklaard. De minister merkt hier in de besluitvorming over op dat eiser in eerste instantie in de zienswijze van 28 september 2022 in de vorige procedure heeft aangegeven dat zijn moeder in contact is geweest met de ex-man toen zij de familie van de partner van eiser kwam condoleren met het overlijden. Later corrigeert eiser dit en verklaart hij dat de ex-man niet thuis was. Weer later zegt eiser dan dat niet valt vast te stellen of de ex-man die dag aanwezig was. Op zitting heeft de minister toegelicht dat het besluit zo gelezen moet worden dat de minister weliswaar geloofwaardig acht dat eiser van zijn moeder heeft gehoord dat de ex-man het niet eens is met de scheiding, maar niet dat zij dit van de ex-man heef vernomen. Dit gedeelte van de verklaringen van eiser acht de minister ongeloofwaardig, omdat eiser hier tegenstrijdige en vage verklaringen over heeft afgelegd.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit op dit punt geen (expliciete) geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. In zoverre kent het bestreden besluit dan ook een motiveringsgebrek. Immers, de minister heeft in het kader van de zwaarwegendheid beoordeeld of de verklaringen van eiser op dit punt geloofwaardig zijn. Bij de zwaarwegendheidsbeoordeling gaat de minister uit van de feiten en omstandigheden zoals ze door eiser gesteld zijn en voor zover deze niet ongeloofwaardig zijn bevonden. In zoverre kent het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is het genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank is echter van oordeel dat de minister met de door hem op zitting gegeven toelichting dit motiveringsgebrek heeft hersteld. De minister heeft immers door verwijzing naar de in het besluit opgenoemde tegenstrijdigheden afdoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser op dit punt ongeloofwaardig worden geacht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser in beroep weliswaar heeft gesteld dat hij hierover consistent heeft verklaard, maar dat hij de door de minister vastgestelde tegenstrijdigheden niet gemotiveerd heeft betwist. Dat eiser, zoals de gemachtigde van eiser op zitting heeft opgemerkt, niet tegenstrijdig heeft verklaard over het feit dat zijn moeder op de condoleance is geweest doet aan deze tegenstrijdigheden niet af, nu dit niet ziet op de vraag hoe de moeder van eiser heeft vernomen dat eiser te vrezen zou hebben voor de ex-man.
Op zitting heeft de gemachtigde van eiser nog gesteld dat de aanvullende motivering in strijd is met de goede procesorde omdat deze pas op zitting is gegeven en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daarbij acht zij van belang dat het standpunt van de minister dat eiser op dit punt tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd al bekend was bij eiser. Dit heeft de minister immers al in de besluitvorming uiteengezet en hierop heeft eiser kunnen reageren. Ook op zitting heeft de gemachtigde van eiser hier ook nogmaals op gereageerd.De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de minister de verklaringen van eiser dat zijn moeder van de ex-man heeft gehoord dat hij te vrezen heeft voor zijn leven niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Conclusie
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
6.1.
Gelet op het onder 4.4. geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Omdat deze motivering in beroep is aangevuld zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Dat betekent dat eiser weliswaar (gedeeltelijk) gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in stand blijft
6.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van €907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 10.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 13.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 9.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 9.
Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 12.
Lifos, Women in Somalia - Pregnancies and Children out of Wedlock, 1 juni 2017,
https://lifos.migrationsverket.se/dokument?documentSummaryId=39585, pp. 16-17.
De rechtbank geeft daarmee toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.