Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21919
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,460 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51877 en NL25.53669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser (met zaaknummer NL25.51877) is gericht tegen het besluit van het COa van 22 oktober 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 22 oktober 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser (met zaaknummer NL25.53669) richt zich tegen het besluit van verweerder van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 29 oktober 2025 en op 4 november 2025 gronden van beroep ingediend in de zaak tegen het plaatsingsbesluit (zaaknummer NL25.51877). Verweerder heeft op 30 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. In reactie op het verweerschrift heeft eiser beroep ingesteld tegen de vrijheidsbeperkende maatregel (zaaknummer NL25.53669).
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op zitting gesloten.
Beoordeling
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 16 oktober 2025 heeft eiser tijdens zijn verblijf op de COa-locatie in Gouda op grond van een ROV 06-maatregel ernstig kleinerend en gewelddadig gedrag vertoond. Eiser heeft een medebewoner vastgehouden en geprobeerd een nootje in zijn mond te duwen. Meerdere medewerkers hebben dit incident waargenomen, waarna is besloten eiser tijdelijk van het terrein te zetten. Eiser heeft meermaals geweigerd hier gehoor aan te geven en is toen onder begeleiding naar buiten gebracht. Eiser is vervolgens meerdere keren teruggekeerd naar de ingang. Pas nadat de politie was gebeld, is eiser vertrokken.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser betoogt dat het plaatsingsbesluit (en de daaruit voortkomende vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw) onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe voert eiser aan dat uit het plaatsingsbesluit niet kan worden opgemaakt dat hem de gelegenheid is geboden zijn relaas te doen. Het enkel verwijzen naar de opmerking van eiser tijdens het gesprek van 20 oktober 2025 dat hij niet langer op de COa-locatie in Gouda wil verblijven en dat aan eiser is gevraagd of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het opleggen van de maatregel, is onvoldoende. Het COa had moeten doorvragen. In het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel heeft eiser hij zich qua gronden beperkt tot ‘ten onrechte opleggen maatregel’ in het beroepschrift van 3 november 2025.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat uit het plaatsingsbesluit blijkt dat eiser eerst op 20 oktober 2025 de gelegenheid heeft gekregen om een toelichting te geven op het incident (‘ik wil hier niet verblijven’), waarna hem op 22 oktober 2025 is gevraagd naar nieuwe feiten en omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op het opleggen van de maatregel, naar aanleiding van het eerder maatregelgesprek op 20 oktober 2025. Eiser heeft hierop ontkennend gereageerd en aangegeven dat van dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden geen sprake is. Aangezien eiser dus niet met nieuwe feiten of omstandigheden is gekomen, ziet de rechtbank niet hoe verweerder daarop had moeten doorvragen. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Dit betekent dus dat de beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva).