Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:21905
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Tussenuitspraak
4,896 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41291 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat hij niet gehouden was tot het verrichten van nader onderzoek. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 15 april 2022 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Op de zitting zijn ook het beroep en de voorlopige voorziening van de echtgenoot van eiseres, [naam 2] , behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
3. Eiseres heeft op 19 november 2018 een eerste asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 19 juli 2021 afgewezen. Dit besluit is met een uitspraak van de Afdeling van 9 september 2021 in rechte vast komen te staan.
4. Op 15 april 2022 heeft eiseres een herhaalde asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft wederom een beroep gedaan op de problemen door de moord op de legerofficier/soldaat en de daaruit voortvloeiende problemen.
5. Eiseres heeft in het kader van haar herhaalde asielaanvraag de volgende documenten overgelegd:
- document 1: originele krant, The Nigerian Observer d.d. 16 maart 2013;
- document 2: een ‘voters-card’;
- document 3: kopie van extract from crime diary d.d. 20 september 2013;- document 4:kopie Special Police Gazette Bulletin;
- document 5: kopie van Crime Diary Evbuotubu Police Station Benin City d.d. 2 april 2019;
- document 6: een overzicht van alle dreigberichten d.d. 24 december 2018;
- document 7: verslag van het onderzoeksrapport van Fier d.d. 25 juli 2022;
- document 8: verslag van Pento over de zoon van eiseres d.d. 23 juni 2023;
- document 9: plan voor har zoon van Accare d.d. 16 juni 2022;
- document 10: brief van Fier d.d. 8 november 2022;
- document 11: iMMO-rapport d.d. 27 oktober 2023;
- document 12: brief van iMMO d.d. 26 mei 2025.
Ter onderbouwing van haar herhaalde asielaanvraag heeft eiseres verder nog verwezen naar de werkinstructies (WI) 2021/18 en WI 2021/16, het Algemeen Ambtsbericht van maart 2021 inzake Nigeria, p. 119, het EASO-rapport van 26 april 2021 Nigeria Trafficking in Human Beings.
5.1.
Op 7 december 2022 heeft de minister een voornemen uitgebracht om de opvolgende asielaanvraag van eiseres af te wijzen als kennelijk ongegrond. In het besluit van 11 januari 2024 is de minister bij de afwijzing van de asielaanvraag gebleven. Bij brief van 13 februari 2024 heeft de minister dit besluit ingetrokken.
5.2.
Op 17 juli 2025 heeft de minister een nieuw voornemen uitgebracht. Op 15 augustus 2025 heeft eiseres een zienswijze ingediend.
Met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 is de minister bij de afwijzing van de asielaanvraag gebleven.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen door de moord op de legerofficier/soldaat en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. Ten aanzien van de problemen door de moord op de legerofficier/soldaat en de daaruit voortvloeiende problemen, stelt de minister zich op het standpunt dat wat eiseres tijdens de huidige procedure heeft ingebracht, niet opweegt tegen de eerder ongeloofwaardig geachte verklaringen over de door eiseres gestelde problemen. Ten aanzien van het iMMO-rapport stelt de minister zich op het standpunt dat de conclusies in het A-onderdeel van het rapport niet inzichtelijk en concludent zijn. De conclusie in het B-onderdeel van het rapport acht de minister evenmin inzichtelijk. De minister verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Voor wat betreft het verzoek om bestuurlijke heroverweging, stelt de minister zich op het standpunt dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het EASO-rapport van 26 april 2021 is volgens de minister al meegenomen in het in rechte vaststaande besluit van 19 juli 2021. Ten aanzien van het geloofwaardig bevonden asielmotief stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer in Nigeria een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Omdat het om een opvolgende aanvraag gaat, heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
6.1.
Bij de aanvullende gronden van 5 oktober 2025 heeft eiseres een aanvullende reactie van het iMMO van 30 september 2025 ingediend.
Tolk en medische problemen
7. Eiseres voert aan dat er tijdens het gehoor opvolgende aanvraag problemen waren met de tolk. Eiseres heeft vaak moeten vragen of de tolk de vraag wilde herhalen en zij kon het Engels van de tolk niet goed begrijpen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat de problemen met de tolk in het licht van de medische situatie van eiseres moeten worden gezien. In het voornemen is volgens eiseres niet inzichtelijk gemaakt hoe zowel tijdens het horen als in de besluitvorming rekening is gehouden met de medische situatie. De hoeveelheid correcties en aanvullingen op het gehoor kunnen niet los gezien worden van de medische situatie van eiseres. Ten aanzien van de medische situatie heeft eiseres verwezen naar de brief van Fier van 8 november 2022. Uit deze brief volgt dat bij eiseres sprake is van PTSS. Ook heeft eiseres een kopie van haar patiëntendossier overgelegd. Gelet op deze stukken had de minister aanleiding moeten zien om voorafgaand aan het gehoor nader onderzoek te verrichten. Eiseres voert tot slot aan dat haar gemachtigde geen impliciete toestemming heeft gegeven om af te zien van medisch onderzoek voorafgaand aan het gehoor.
8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiseres de tolk niet goed heeft begrepen. De minister heeft terecht verwezen naar het feit dat eiseres aan het begin en aan het eind van het gehoor heeft aangegeven dat ze de tolk goed kon verstaan en goed heeft begrepen. Ook blijkt uit de inhoud van het verslag gehoor opvolgende aanvraag niet dat eiseres de tolk niet goed heeft begrepen. Dat eiseres de vragen over de werkinstructies niet kon beantwoorden, acht de rechtbank niet bevreemdend. Deze vragen zien immers niet op de specifieke situatie van eiseres, maar op de beoordelingskaders van het asielrelaas. Dat eiseres deze vragen niet heeft begrepen leidt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot de conclusie dat eiseres de tolk niet goed heeft begrepen, al dan niet in het licht van de medische problematiek van eiseres. De rechtbank overweegt verder dat uit de gang van zaken voorafgaand aan het gehoor niet kan worden opgemaakt dat de gemachtigde van eiseres (impliciet) toestemming heeft gegeven om geen nader medisch onderzoek te verrichten. Wel heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat langer uitstel niet wenselijk was en dat er is gevraagd om tijdens het horen rekening te houden met de brief van Fier van 8 november 2022. De rechtbank stelt vast dat tijdens het gehoor is gevraagd of eiseres zich nog goed voelde en dat er meerdere pauzes zijn ingelast. Het is de rechtbank niet gebleken dat er onvoldoende rekening is gehouden met de medische toestand van eiseres en de overgelegde medische stukken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister, gelet op de overgelegde medische informatie voorafgaand aan het gehoor, niet gehouden was om voorafgaand aan het gehoor nader medisch onderzoek te verrichten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het iMMO-rapport
9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit het iMMO-rapport blijkt dat sprake is van psychische problematiek zowel ten tijde van het gehoor opvolgende aanvraag als tijdens de eerste procedure. Dit maakt dat de minister naar aanleiding van het iMMO-rapport alsnog gehouden was nader medisch onderzoek te verrichten en eiseres opnieuw te horen.
Dictum
De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Vreemdelingenwet 2000
Zaak NL25.41292
Zaken NL25.41296 en NK25.41297.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw.
ECLI:NL:RVS:2025:1472.
Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086 en herhaald in de uitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472.
Overwegingen
In de eerste procedure lijkt een belangrijke aanwijzing voor de reden van het gestelde geweldsincident te zijn blijven liggen, namelijk het feit dat eiseres eerder verkracht is. Tijdens het iMMO-onderzoek heeft eiseres hierover nader verklaard. Waar het volgens eiseres vooral om gaat is of, en in welke mate, dit incident als startpunt heeft doorgewerkt in de psyche van eiseres en hoe de daaruit voortgevloeide klachten in samenhang met schuld, schaamte en paniek over het schietincident in 2013 tijdens het gehoor in de eerste procedure en tijdens het gehoor opvolgende aanvraag hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Door het iMMO is verder beschreven welke indicaties er zijn voor deze psychische problematiek. Zo beschrijft het iMMO onder meer dat eiseres tijdens het gehoor opvolgende aanvraag melding maakt van het feit dat ze makkelijk dingen vergeet en begrijpt ze de vragen over de werkinstructie niet. Het iMMO verwijst in de rapportage verder naar het FMMU-advies waaruit blijkt dat sprake is van beperkingen bij het horen en beslissen. Dit komt ook naar voren uit de overige medische informatie. Eiseres stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe haar medische situatie is betrokken bij de beoordeling. Eiseres verwijst verder naar de overwegingen in het iMMO-rapport waaruit volgt dat de littekens van eiseres zijn onderzocht die worden toegeschreven aan de groepsverkrachting in 2009 en ook de medische klachten van eiseres die zijn onderzocht. Eiseres verwijst tot slot naar de brief van het iMMO van 4 juni 2025 waarin het iMMO reageert op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025.
10. De rechtbank overweegt als volgt.
10. Het iMMO-rapport van 27 oktober 2023 is opgedeeld in twee onderdelen. In het A-onderdeel wordt geconcludeerd dat de medische problematiek van eiseres (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt beoordeeld als typerend voor het door eiseres gestelde ondergane geweld. In het B-onderdeel van het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de geconstateerde medische problematiek ten tijde van de gehoren zeker heeft geïnterfereerd met het vermogen van eiseres om compleet, coherent en consistent te verklaren.
10. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het aan de minister is om, als een medisch rapport zoals een iMMO-rapport een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, de twijfel over de oorzaak van het letsel weg te nemen, wanneer de minister die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht. De minister is in zo’n geval echter niet altijd gehouden om nader onderzoek te verrichten. De kwalificatie die in het iMMO-rapport aan de lichamelijke en psychische problemen wordt gegeven is daarbij van belang. Ook is van belang in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het IMMO-rapport heeft willen staven. Verder is van belang in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in betrouwbare algemene informatie over het land van herkomst.
13. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voorbij mogen gaan aan de conclusies uit het B-onderdeel in het iMMO-rapport. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 waarin, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, is geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiseres toegespitste beoordeling van haar vermogen om te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat in de zaak van eiseres een vergelijkbare situatie aan de orde is en dat ook in dit geval het antwoord op de B-vraag niet voldoende is toegespitst op de individuele situatie van eiseres. In het rapport wordt onder meer beschreven dat uit het FMMU-advies volgt dat er sprake is van beperkingen bij het horen en beslissen en dat een belangrijke aanwijzing voor de reden van het gestelde geweldsincident is blijven liggen. Ook wordt beschreven dat er bij eiseres sprake is van een PTSS met vermijding, de angst om opnieuw een verkrachting mee te moeten maken, herbelevingen en schuldgevoelens. Hiermee wordt echter niet inzichtelijk waarom en in hoeverre de klachten van eiseres zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen van eiseres om compleet, coherent en consistent over haar asielrelaas te verklaren. De rechtbank is – in lijn met het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraak – van oordeel dat dit wel uit het iMMO-rapport had moeten volgen, voordat geconcludeerd kan worden dat de bij eiseres geconstateerde medische problematiek heeft geïnterfereerd met haar vermogen om te verklaren. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting verder terecht opgemerkt dat uit het iMMO-rapport eveneens volgt dat er geen duidelijke geheugenproblemen bij eiseres zijn waargenomen tijdens het onderzoek. Ook blijkt uit het iMMO-rapport dat het bewustzijn van eiseres tijdens het onderzoek helder is en haar aandacht goed te trekken en vast te houden is. De conclusie dat de medische problematiek van eiser tijdens het gehoor zeker heeft geïnterfereerd met het vermogen van eiseres om compleet, coherent en consistent te verklaren is dan ook onvoldoende inzichtelijk. De rechtbank ziet in de reactie van het iMMO van 26 mei 2025 op de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. In de reactie legt het iMMO uit waarom een traumagerelateerd geheugenonderzoek niet thuishoort in een iMMO-onderzoek, maar hiermee wordt niet onderbouwd waarom de minister toch had moeten uitgaan van de conclusies uit het iMMO-rapport voor wat betreft het B-onderdeel.
13. Over de conclusie in het A-onderdeel van het iMMO-rapport overweegt de rechtbank als volgt. In het iMMO-rapport is beoordeeld of, en in hoeverre, de medische problematiek van eiseres past bij het in haar asielrelaas gestelde geweld. In dit kader zijn allereerst de littekens die eiseres toeschrijft aan de groepsverkrachting in 2009 beoordeeld. Van de 9 beoordeelde littekens zijn 5 littekens als consistent zijn beoordeeld, 3 littekens als zeer consistent en 1 litteken als typerend. Daarnaast zijn in het iMMO-rapport psychische klachten vastgesteld, waarbij is geconcludeerd dat deze worden beoordeeld als typerend. Het geheel van de medische klachten is beoordeeld als typerend met het gestelde asielrelaas.
13. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat door het iMMO niet inzichtelijk is gemaakt hoe de conclusies van paragraaf 6.1 en 6.2 zich tot elkaar verhouden en wat uiteindelijk maakt dat het geheel van de klachten de eindbeoordeling ‘typerend’ met het gestelde relaas heeft gekregen. Daarbij is ook niet inzichtelijk gemaakt hoe met ‘de andere stressvolle ervaringen’ uit paragraaf 6.2 rekening is gehouden bij het toekennen van de kwalificatie ‘typerend’. Bovendien wordt door de minister opgemerkt dat ten aanzien van het asielmotief van eiseres geen sprake is van littekens. De littekens kunnen daarom enkel het gevolg zijn van het gestelde geweldsincident in 2009.
13. De rechtbank stelt voorop dat de afzonderlijke conclusies uit paragraaf 6.1 en 6.2 door de minister niet zijn bestreden. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de conclusies van paragraaf 6.1 en 6.2 zich tot elkaar verhouden en hoe het iMMO op basis van het geheel van de medische klachten tot de beoordeling ‘typerend’ voor het gestelde relaas is gekomen. In het iMMO-rapport is voor de algehele beoordeling verwezen naar de argumentatie in paragraaf 6.1 en 6.2. In de brief van 30 september 2025 is vervolgens nader toegelicht dat, wanneer zowel lichamelijk als psychologisch bewijs in één rapport door één onderzoeker wordt vastgelegd, de conclusie over alle klinische gegevens gebaseerd moet zijn op het hoogste niveau van consistentie dat is gerapporteerd.