Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:21890
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,458 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12966
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van eiseres en verweerder.
Beoordeling
1. Eiseres is geboren op [datum] 1992 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Zij heeft op 2 augustus 2024 een aanvraag ingediend om afgifte van een visum kort verblijf om op bezoek te gaan bij haar zus [referente] (referente).
2. Bij besluit van 2 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, eiseres niet beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf en de terugreis, en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om vóór het verstrijken van het visum Nederland weer te verlaten.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. De sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst heeft zij onvoldoende aangetoond, dan wel is deze zeer gering gebleken. Zij heeft geen gezin waarvoor zij zorg draagt en dat zij zorgt voor haar moeder is onvoldoende onderbouwd door eiseres. Over de economische binding overweegt verweerder dat de enkele inschrijving van eiseres dat zij werkt als kleermaakster onvoldoende is om te onderbouwen dat zij daadwerkelijk werkzaam is. De bankafschriften zijn verder onvoldoende om te onderbouwen dat eiseres inkomen heeft in Marokko. Omdat verweerder gelet hierop twijfelt aan de verblijfsduur van eiseres in Nederland, heeft verweerder ook twijfels over de juistheid van het opgegeven reisdoel, kort verblijf in Nederland. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft verweerder afgezien van het horen van eiseres.
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Eiseres heeft in bezwaar voldoende stukken overgelegd. Zij is geboren en getogen in Marokko, ze draagt de zorg voor haar moeder en met het invullen van de vragenlijst heeft zij ook inzicht gegeven in de familieleden die nog in Marokko verblijven, waar zij ook een band mee heeft. Ook is een verklaring van de moeder overgelegd waaruit volgt dat eiseres mantelzorger is van haar moeder. Ten aanzien van de economische binding stelt eiseres dat uit de bankafschriften voldoende blijkt dat zij inkomen heeft. Tot slot heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord. Vuistregel is om te horen. Bovendien heeft zij in bezwaar voldoende inspanningen verricht om documenten te overleggen waardoor er eens te meer aanleiding bestond om eiseres te horen in bezwaar.
5. Bij brief van 12 november 2025 heeft eiseres nog een ‘declaration sur l’honneur’ overgelegd van 13 oktober 2025 waarin eiseres verklaart dat zij (financieel) voor haar moeder zorgt, omdat zij ziek is. Daarnaast heeft zij een medische verklaring overgelegd van dr. [persoon] van de medische faciliteit te [plaats] van 13 oktober 2025. In deze verklaring staat dat de moeder van eiseres lumbale artrose heeft en dat zij hulp nodig heeft van haar familie.
De rechtbank overweegt als volgt.
6. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
(…)
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
(…)
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
7. Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Uit artikel 32, tweede lid, van de Visumcode volgt dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de visumaanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode. Uit het arrest Koushkaki blijkt dat verweerder veel beoordelingsruimte heeft bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing).
Sociale en economische binding
8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiseres een zodanige economische en sociale binding heeft met Marokko dat een tijdige terugkeer naar Marokko voldoende is gewaarborgd. Verweerder heeft in dat verband kunnen meewegen dat eiseres geen gezin heeft waarvoor zij de verantwoordelijkheid draagt. Dat zij tijdig moet terugkeren vanwege de zorg van haar moeder heeft zij met het overleggen van de verklaringen van haarzelf en haar moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat uit de verklaringen niet blijkt dat alleen eiseres voor haar moeder kan zorgen. Eiseres heeft nog andere familieleden in Marokko en niet gebleken is dat zij niet voor de moeder van eiseres kunnen zorgen. De stelling van eiseres dat uit de Visumcode niet volgt dat dergelijke zorg exclusief dient te zijn is weliswaar juist, echter verweerder heeft dat gegeven wel kunnen meenemen in de beoordeling of eiseres een zodanige sociale binding heeft met Marokko, op grond waarvan aannemelijk is dat zij tijdig zal terugkeren naar Marokko vanuit Nederland.
9. Verweerder heeft verder redelijkerwijs kunnen overwegen dat eiseres met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat zij in Marokko over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Uit de ‘Attestation d’inscription dans le Registre National de l’Artisanat pour les artisans blijkt wat voor beroep eiseres uitoefent. Echter daaruit volgt niet dat eiseres inkomen geniet. De overgelegde bankafschriften zijn hiervoor ook onvoldoende. De bankafschriften tonen aan dat in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 30 oktober 2024 verschillende geldbedragen op de rekening van eiseres zijn bijgeschreven en ervan zijn afgeschreven. Verweerder heeft kunnen overwegen dat uit de afschriften de herkomst van die bedragen niet te herleiden valt en evenmin dat eiseres vrijelijk over die bedragen kan beschikken. Ook kan niet uit de afschriften worden opgemaakt dat eiseres elke maand loon ontvangt in verband met de gestelde werkzaamheden die zij als kleermaakster zou verrichten. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder niet weerlegd.
Verblijfsdoel
10. Nu verweerder redelijkerwijs heeft kunnen twijfelen aan de intentie van eiseres om voor het verstrijken van het visum terug te keren naar Marokko, heeft verweerder vervolgens ook kunnen twijfelen aan de uiteindelijke verblijfsduur van eiseres in Nederland en in het verlengde daarvan aan het verblijfsdoel in Nederland, namelijk kort verblijf.
Hoorplicht
11. Verweerder heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en hij heeft geen reden hoeven zien om eiseres te horen. Aan eiseres is in bezwaar de gelegenheid geboden om haar visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft verweerder aan eiseres een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiseres met Marokko en de daaruit af te leiden twijfel over haar tijdige terugkeer, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 november 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zoals bedoeld in artikel 32 van de Verordening (EU) nr. 810/2009 (Visumcode).
Algemene wet bestuursrecht.
Zie het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
ECLI:NL:RVS:2022:1918.