Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-08-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:21859
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/3445 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [stadstaat] , eiseres en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Houben). Inleiding en procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek van 19 januari 2022 tot verlening van het Nederlanderschap (hierna ook: naturalisatie). 1.1. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 9 september 2022 afgewezen (hierna: het primaire besluit). Bij besluit van 29 maart 2023 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Het beroep van eiseres is bij uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet op tijd betalen van het griffierecht. 1.5. Eiseres heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend. 1.6. Het verzet van eiseres is bij uitspraak van de rechtbank van 4 april 2025 gegrond verklaard. Het onderzoek is hervat in de stand waarin dat zich bevond voor de uitspraak van 16 juli 2024. 1.7. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot [naam] en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Eiseres heeft de Duitse nationaliteit. Zij is vanaf 2003 ingeschreven geweest op adressen in Nederland en sinds augustus 2013 getrouwd met [naam] , die de Nederlandse nationaliteit heeft. Op 2 mei 2021 is eiseres uitgeschreven uit de Nederlandse basisregistratie personen (hierna: Brp) in verband met aanvaarding van een betrekking in [stadstaat] . Eiseres heeft op 19 januari 2022 een verzoek om naturalisatie ingediend bij de Nederlandse ambassade in [stadstaat] . 3. Verweerder heeft het verzoek van eiseres afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet sinds ten minste drie jaar voorafgaand aan haar verzoek onafgebroken samenwoont met haar echtgenoot. Daarnaast heeft zij niet sinds vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan haar verzoek onafgebroken toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Volgens verweerder zijn er geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de geldende wettelijke vereisten door de hardheidsclausule toe te passen. Wat vindt eiseres in beroep? 4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij wel degelijk samenwoont met haar Nederlandse echtgenoot, met wie zij een duurzame relatie heeft, maar dan op twee locaties, namelijk in Nederland en in [stadstaat] . Voor zover er niet wordt voldaan aan de eis van samenwoning, geldt dat eiseres daar om puur formele redenen niet aan kan voldoen. Het vereiste van samenwoning heeft tot doel om de integratie van de aanvrager in de Nederlandse samenleving te waarborgen. Evident is dat aan deze onderliggende voorwaarde is voldaan. Eiseres brengt aan de hand van concrete voorbeelden naar voren dat zij al meer dan 20 jaar een aanzienlijke maatschappelijke en professionele bijdrage levert in Nederland en dat zij duidelijk en langdurig is ingeburgerd en geïntegreerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het besluit van verweerder tegen de bedoeling en geest van de wet is en het belang dat daarmee wordt gediend. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden in deze zaak. Wat zijn de regels? 5. Uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) volgt dat één van de voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap is dat de verzoeker ten minste sinds vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdver Deze zijn echter, zoals blijkt uit vaste jurisprudentie , voor de juridische beoordeling niet van betekenis, omdat de reden van onderbreking niet afdoet aan het feit dat de samenwoning onderbroken is. 11. Dat eiseres ingeburgerd is, zoals zij stelt en door verweerder ook niet wordt bestreden, heeft verweerder ook niet tot een andere conclusie hoeven brengen. De wetgever heeft in het geval van naturalisatie, naast de voorwaarde van inburgering, bewust de voorwaarde gesteld van een ononderbroken samenwoning dan wel onafgebroken toelating en hoofdverblijf. De tekst van zowel artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN, als artikel 8, tweede lid, van de RWN, is dwingend geformuleerd. De tekst van de bepaling biedt verweerder dus niet de ruimte om van de samenwooneis, dan wel de voorwaarde van toelating en hoofdverblijf, af te wijken. De wetgever heeft ook niet de mogelijkheid geboden om met toepassing van de hardheidsclausule af te kunnen wijken van de samenwooneis. Daaruit volgt dat de wetgever strikte toepassing van de samenwooneis voor ogen heeft, in die zin dat een gehuwde partner die niet feitelijk samenwoont met diens Nederlandse echtgenoot niet het Nederlanderschap kan verkrijgen. Hieruit kan worden afgeleid dat naast de mate van inburgering en integratie ook de intensiteit van de band met Nederland op het moment van de aanvraag en de beslissing daarop van belang is volgens de wetgever. 12. Verweerder heeft dan ook mogen vaststellen dat eiseres en haar echtgenoot niet sinds ten minste drie jaar voorafgaand aan haar verzoek onafgebroken samenwoonden en dat eiseres daardoor niet voldoet aan de voorwaarde voor verlening van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de RWN in combinatie met het eerste lid, aanhef en onder c, van dat artikel. 13. Verweerder heeft eveneens mogen vaststellen dat eiseres niet ten minste vijf jaar voorafgaand aan haar verzoek in het Koninkrijk toelating en hoofdverblijf had en dat eiseres daardoor niet voldoet aan de voorwaarde voor verlening van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. 14. Verder heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien de hardheidsclausule toe te passen. De hardheidsclausule biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de samenwooneis van artikel 8, tweede lid, van de RWN. Verweerder heeft ook niet met toepassing van de hardheidsclausule hoeven afwijken van het vereiste van vijf jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 15. Eiseres heeft op de zitting naar voren gebracht dat haar belang bij het verkrijgen van het Nederlanderschap, los van de erkenning die dit op zou leveren dat zij Nederlander is, er in is gelegen dat zij dan de rechten krijgt die voorbehouden zijn aan Nederlanders, zoals het stemrecht. 16. Het uitgangspunt is dat de hardheidsclausule de mogelijkheid biedt om in bijzondere gevallen af te wijken van bepaalde in de RWN gestelde vereisten. Uit jurisprudentie blijkt dat de wettelijke eisen in beginsel prevaleren en dat verweerder bij de invulling van het begrip ‘bijzondere gevallen’ beoordelingsruimte toekomt, waarbij die invulling primair behoort tot zijn verantwoordelijkheid . Uit de Handleiding RWN blijkt dat het niet de bedoeling is dat op grote schaal van de afwijkingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt en dat verweerder daar doorgaans terughoudend gebruik van maakt. In de Handleiding RWN is toegelicht dat het moet gaan om zeer bijzondere gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan blijkens de Handleiding RWN worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie. 17. Verweerder heeft zich met inachtneming van he