Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:21829
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,541 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/692710 / KG ZA 25-992
Vonnis in kort geding van 19 november 2025
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. I.J. Bos te Den Haag,
tegen:
FTA Industries B.V. te Oegstgeest,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S.F. Puijk te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘FTA’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 29;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 9;
- de akte overleggen producties van [eiser] met producties 30 tot en met 35;
- de op 5 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd;
- de namens FTA gestelde vraag over het verhandelde ter zitting van 10 november 2025;
- de beantwoording van de vraag van FTA door de griffier op 12 november 2025;
- het bericht namens [eiser] van 13 november 2025 met daarin een rectificatie op hetgeen hij ter zitting heeft verklaard.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
1.3.
Na de zitting heeft de advocaat van FTA de griffier schriftelijk verzocht na te gaan of in de zittingsaantekeningen is opgenomen het antwoord van [eiser] op de vraag van de voorzieningenrechter of het correct is dat [eiser] thans (via Trust Collectables) auto’s te koop aanbiedt van cliënten, die eerder voor diezelfde cliënten te koop werden aangeboden door RCC. Hierop is door de griffier als volgt geantwoord:
“In de zittingsaantekeningen is opgenomen dat eiser heeft bevestigd dat hij twee auto’s, die voorheen door Real Collectable Cars te koop werden aangeboden, nu via zijn eigen onderneming te koop aanbiedt. Ook is opgenomen dat eiser heeft gezegd dat die betreffende auto’s destijds bij Real Collectable Cars uit de verkoop zijn gehaald en dat hij de eigenaren van de auto’s opnieuw heeft benaderd.”
In aansluiting daarop heeft de advocaat van [eiser] op 13 november 2025 aan de griffie bericht dat [eiser] zich tijdens de zitting bij beantwoording van voormelde vraag heeft vergist en dat hij zijn verklaring wenst te corrigeren: het gaat om vier oud-klanten van RCC en in totaal zes auto’s.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
In 2020 heeft [eiser] de heer [naam] (hierna: [naam] ) leren kennen. Beiden hebben een voorliefde voor bijzondere en exclusieve auto’s. Begin 2021 hebben zij het idee opgevat om een samenwerking te beginnen. In januari 2021 heeft [eiser] zijn businessplan aan [naam] gestuurd en [naam] heeft vervolgens zijn vennootschappen, FTA en Scrypt Vision B.V. (hierna: Scrypt), ter beschikking gesteld voor de samenwerking. Op 2 februari 2021 is [eiser] medeaandeelhouder en bestuurder van FTA geworden. FTA houdt op haar beurt alle aandelen in Scrypt. Partijen zijn gaan samenwerken onder de naam Real Collectable Cars (hierna: RCC). Dit werd uiteindelijk een handelsnaam van zowel FTA als van Scrypt.
2.2.
Op 4 mei 2021 heeft [naam] per e-mail zijn idee van de samenwerking naar [eiser] gestuurd. In deze e-mail is onder meer te lezen:
“Het idee is dat jij de activiteiten doet. Ik help je waar mogelijk en ik tijd hebt.
Jij krijgt een beloning, managementfee.
Ik niet.
Ik stort geld. (ben bankier en risiconemer)
Jij probeert met mij samen een hobby uit te laten groeien naar een mooi goedlopend bedrijf.
(…)
BIJLAGE:
Real Collectable Cars
Dinsdag, 4 mei 2021
(…)
[voornaam 1] (
rechtbank: [naam]
) zal eenmalig een bedrag van 50000 euro storten op de rekening van RCC, als lening. Met dit bedrag kan [voornaam 2] (
rechtbank: [eiser]
) inkopen door van auto’s. Dit bedrag zal medio juni gestort worden.
[voornaam 1] zal nogmaals in okt/nov een bedrag storten van 50.000 euro voor inkoop van auto’s. In totaal derhalve 100.000, = dit bedrag is uitsluitend bedoeld voor inkoop van auto’s en dus de voorraad. Niet voor dubieuze debiteuren, tegenslagen, etc. etc.
(…)
Het resultaat RCC zal als volgt verdeeld worden; [voornaam 2] ontvang een management fee vanuit RCC (via FTA-holding) van 24000 euro per jaar.
Derhalve 2000 euro per maand. Dit als vaste fee. Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in RCC gelijk verdeeld over beide vennoten.
Wanneer er twee jaar achtereen verlies wordt gemaakt, zal de constructie van de BV en de Holding worden teruggedraaid naar de situatie van 1/1/2021. De aandelen gaan weer terug naar [voornaam 1] . [voornaam 1] betaalt het verlies van dit avontuur.
Als het verlies hoger wordt op enig moment dan 50.000 euro. Kan dit moment eerder
genomen worden om er mee te stoppen.
Ieder kwartaal, te starten per 1 juli worden de resultaten geëvalueerd. Vooraf worden per kwartaal de targets, samen met [voornaam 2] vastgelegd. Wanneer na 3 kwartalen de resultaten structureel niet gehaald worden, vind overleg plaats over ontbinding van deze constructie. (…)
Activiteit [voornaam 2] ,
● Opzetten marketingtools, website, social media etc.
● Inkoop van motoren, auto’s
● Finetunen, poetsen, verkoop klaar maken van motoren en auto’s
● Voeren van primaire administratie. Boekhouding wordt door [voornaam 1] / [voornaam 3] uitgevoerd.
Aangifte BTW etc. ook.
● Ondersteuning met privécollectie van [voornaam 1] . Klusjes. Incidenteel.
● Start activiteiten per 1 mei 2021.
● Target nog op te stellen. Tot 1 juli.
● Website ontwikkelen voor 1 juni
● Social media finetunen.
● Benaderen klanten uit Zwitserland. Privé collecties verkopen van anderen.”
[eiser] is akkoord gegaan met de opzet van [naam] .
2.3.
Op 26 april 2022 heeft [naam] per e-mail aan [eiser] een update gestuurd van de samenwerking zoals omschreven in de mail van 4 mei 2021. Hierin staat onder meer (onderstreping door rechtbank toegevoegd, betreft de aanvulling (in het rood) ten opzichte van de e-mail van 4 mei 2021):
“
Het resultaat RCC zal als volgt verdeeld worden; [voornaam 2] ontvang een management fee vanuit RCC (via FTA-holding) van 24000 euro per jaar.
Derhalve 2000 euro per maand. Dit als vaste fee. Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in RCC gelijk verdeeld over beide vennoten.
Deze fee is uitgekeerd. Het verlies is niet verdeeld. Doe ik ook niet. Ik betaal dat verlies wel.”
2.4.
Op 4 november 2024 heeft [eiser] zijn aandelen in FTA verkocht aan [naam] voor € 1.000,00. Op diezelfde dag is [eiser] uitgeschreven als bestuurder van FTA.
2.5.
[naam] heeft op 9 augustus 2025 per e-mail aan [eiser] de halfjaarcijfers van dat jaar gestuurd. De cijfers bleken (wederom) tegen te vallen. [naam] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] gehouden is om € 67.500,00 aan RCC (Scrypt) te voldoen, vanwege een negatief eigen vermogen van € 135.000,00. Ook zou er volgens [naam] € 237.000,00 openstaan aan rekening-courant schulden. Om deze schulden in te lopen heeft [naam] voorgesteld dat [eiser] zou worden uitgeleend als consultant aan een autobedrijf. Op 26 augustus 2025 heeft hierover een gesprek tussen [eiser] en [naam] plaatsgevonden. [eiser] heeft toen aangegeven zich niet te kunnen vinden in het voorstel van [naam] en kenbaar gemaakt dat hij zijn werkzaamheden niet langer wenste voort te zetten. [naam] heeft op 27 augustus 2025 per e-mail een door hem opgesteld gesprekverslag naar [eiser] gestuurd.
2.6.
Op 28 augustus 2025 heeft [eiser] laten weten dat hij het niet eens was met de berekeningen van [naam] en de oplossing voor het inlopen van de vermeende schuld. In de periode van 28 augustus 2025 tot en met 2 september 2025 hebben [eiser] en [naam] nog diverse e-mails naar elkaar gezonden, maar zij werden het niet (volledig) eens over de wijze van beëindiging van de samenwerking en de sfeer tussen partijen sloeg om. Op 1 september 2025 heeft [naam] aan onder meer [eiser] geschreven:
“En twee dit dossier overdragen aan mijn jurist, teneinde [voornaam 2] te dagvaarden en hem te dwingen om het negatieve kapitaal te betalen. Procedeer tot de poorten van de HEL.
Dat vuile liegen zit me enorm dwars.
(…)”
2.7.
Op 1 september 2025 heeft de vader van [eiser] diverse spullen bij [naam] afgeleverd in het kader van het beëindigen van de samenwerking. [naam] heeft getekend voor ontvangst van de spullen.
2.8.
De advocaat van FTA heeft vervolgens op 5 september 2025 een brief naar [eiser] gestuurd waarin aanspraak werd gemaakt op de schuld van € 47.500,00 aan FTA, retournering van spullen en terugbetaling van € 5.600,00 op de rekening-courant schuld. Ook werd [eiser] verzocht een geheimhoudingsbeding te tekenen. Op 9 september 2025 werd namens FTA een tweede brief gestuurd waarin een procedure werd aangekondigd. [eiser] heeft daarop laten weten dat hij de kwestie had voorgelegd aan een advocaat. Op 12 september 2025 heeft [eiser] een conceptdagvaarding van de advocaat van FTA ontvangen. [eiser] heeft op 15 september 2025 zelf inhoudelijk gereageerd op de brieven van FTA.
Geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. FTA te veroordelen het gelegde derdenbeslag onder COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. op te heffen binnen 48 uur na betekening van dit vonnis;
II. FTA te veroordelen het gelegde beslag op de BMW met kenteken [kenteken] op te heffen binnen 48 uur na betekening van dit vonnis;
III. FTA zelf, dan wel via aan haar gelieerde (rechts)personen waaronder maar niet beperkt tot Scrypt, te verbieden een beslagrekest, dan wel meerdere rekesten, in te dienen gericht tegen [eiser] , zonder dat daarbij een afschrift van dit vonnis en de bijbehorende dagvaarding is gevoegd en de voorzieningenrechter in dat rekest in ondubbelzinnige bewoordingen, naar waarheid, geïnformeerd is over de feiten van de zaak;
IV. FTA te veroordelen tot betaling van de kosten die de bank bij [eiser] in rekening heeft gebracht, dan wel zal brengen, als gevolg van de beslagen, welke volgens de algemene bankvoorwaarden € 80,00 bedragen, aangezien de beslagen onrechtmatig zijn gelegd;
V. FTA te veroordelen in de (reële) kosten van dit kort geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Als eerste is volgens [eiser] sprake van schendingen van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het beslagverlof is verleend op basis van onvolledige en onjuiste informatie. FTA heeft nagelaten om de beslagrechter op essentiële punten naar waarheid te informeren. Het beslagrekest bevat namelijk feitelijke onjuistheden en stukken die de door FTA gestelde vordering weerspreken, waaronder de e-mail van de advocaat van [eiser] en andere relevante correspondentie, zijn niet overgelegd. Ook het document met de herziene afspraken is achterwege gelaten en alleen de eerste versie is met de beslagrechter gedeeld. In dit verband heeft [eiser] erop gewezen dat het in strijd met artikel 21 Rv onvolledig informeren van de beslagrechter in de beslagsyllabus wordt genoemd als grond voor opheffen van het beslag. Alleen al op deze grondslag moet volgens [eiser] het beslagverlof worden vernietigd en de gelegde beslagen worden opgeheven.
3.3.
Bovendien voert [eiser] aan dat een conservatoir beslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige beslag blijkt. Volgens [eiser] probeert FTA – kort gezegd – een niet bestaande vordering te construeren die ook telkens van omvang verandert. Partijen hebben niets afgesproken over het aanzuiveren van negatief eigen vermogen en [eiser] betwist bovendien dat er is afgesproken dat hij de helft van het verlies zou dragen. Zelfs al zouden partijen hebben afgesproken de verliezen en/of het negatief eigen vermogen te verdelen, dan heeft te gelden dat het tekort volledig door [naam] is ontstaan en niet aan [eiser] kan worden toegerekend, want door [naam] zijn middelen onttrokken aan de vennootschap, is onvoldoende werkkapitaal beschikbaar gesteld, is nooit een (redelijke) vergoeding betaald aan de vennootschap voor verleende diensten en is nooit een redelijke vergoeding betaald voor de inzet van [eiser] voor de privéaangelegenheden van [naam] . Verder is de door FTA gestelde vrees voor verduistering op geen enkele manier onderbouwd. Bovendien is het gelegde beslag disproportioneel, want er is beslag gelegd op de privébankrekeningen en auto van [eiser] voor een vordering die niet bestaat. Het beslag wordt door FTA/ [naam] louter gebruikt als drukmiddel, raakt [eiser] onevenredig zwaar en is niet te rechtvaardigen zolang geen sprake is van een vaststaande of enigszins aannemelijke vordering.
3.4.
Tot slot voert [eiser] aan dat omdat sprake is van een schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv, een veroordeling van [naam] in de reële proceskosten passend is. FTA dwingt [eiser] tot het starten van dit kort geding, omdat [eiser] anders niet kan opkomen tegen het beslagverlof op basis van een rekest dat op cruciale punten onvolledig is. Dat is een manier van misleiden van de beslagrechter die onrechtmatig is en een reële proceskostenveroordeling rechtvaardigt.
3.5.
FTA voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.6.
FTA vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen om aan FTA binnen 48 uur na vonnis de volgende gegevens te verstrekken:
de wachtwoorden van en toegang tot alle RCC mailboxen, waaronder [mailbox 1] en [mailbox 2] ;
de wachtwoorden van de website c.q. het domein;
alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini en/of ten behoeve van andere derden uitgevoerde werkzaamheden;
op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat hij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,00.
3.7.
Daartoe voert FTA – samengevat – het volgende aan. [eiser] heeft werkzaamheden verricht voor derden in het pand van RCC, met gebruikmaking van gereedschap van RCC en ook ten behoeve van klanten van RCC, terwijl die werkzaamheden buiten de administratie van RCC zijn gehouden. FTA heeft er daarom recht op en belang bij inzage van en toegang tot de e-mailbox van [eiser] die is gekoppeld aan het domein van RCC waarmee door [eiser] met klanten is gecorrespondeerd. Dat belang wordt vergroot door het feit dat [eiser] kennelijk al tijdens de samenwerking in RCC met een onderneming is gestart waarmee hij dezelfde diensten aanbiedt en zelfs auto’s, die eerst te koop werden aangeboden via RCC, nu te koop aanbiedt via zijn eigen onderneming.
3.8.
[eiser] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
in conventie
4.1.
De vraag die centraal staat is of het door FTA gelegde beslag moet worden opgeheven. [eiser] voert in de eerste plaats aan – kort gezegd – dat het beslag moet worden opgeheven omdat FTA in het beslagrekest heeft nagelaten om de beslagrechter op essentiële punten te informeren en daarmee de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 Rv heeft geschonden. Bovendien is volgens [eiser] sprake van een (summierlijk gebleken) ondeugdelijke vordering en is het beslag onnodig en disproportioneel, wat ook tot opheffing van het beslag zou moeten leiden.
4.2.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat het door FTA gelegde beslag op de privébankrekeningen en auto van [eiser] moet worden opgeheven. Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Schending van de waarheidsplicht bij het indienen van een beslagrekest kan een grond voor opheffing van een beslag vormen. Van een schending van de waarheidsplicht is in dit verband onder meer sprake indien voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden niet of niet juist dan wel onvolledig worden vermeld met de kennelijke bedoeling een voor de verzoeker gunstiger voorstelling van de gang van zaken te presenteren om te voorkomen dat het gevraagde verzoek wordt afgewezen.
4.4.
FTA heeft in haar beslagrekest gesteld dat uit de jaarrekeningen volgt dat RCC (Scrypt) een negatief vermogen had van € 146.142,00, welk negatief vermogen inmiddels zou zijn toegenomen tot € 210.000,00. Onder verwijzing naar de afspraken van 4 mei 2021 (zie nr. 2.2) stelt FTA zich op het standpunt dat [eiser] gehouden is om 50% daarvan te voldoen.
4.5.
De voorzieningenrechter constateert dat FTA in het beslagrekest niet heeft vermeld dat in de e-mail van [naam] van 26 april 2022 (zie nr. 2.3) wijzigingen van, of in ieder geval aanvullingen op, de oorspronkelijke afspraken zijn opgenomen. Op basis van die wijzigingen/aanvullingen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer gezegd worden dat [eiser] – zoals FTA stelt – (nog) gehouden is om 50% van het verlies te betalen. Daarin is immers opgenomen dat [naam] het verlies zal dragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft FTA door geen melding te maken van (de wijzigingen/aanvullingen opgenomen in) de e-mail van 26 april 2022 de beslagrechter onvolledig voorgelicht. Zelfs toen er aan FTA aanvullende vragen werden gesteld over de gemaakte afspraken, heeft FTA geen aanleiding gezien om op de hier bedoelde wijzigingen/aanvullingen, te wijzen, dan wel een kopie van de e-mail van 26 april 2022 over te leggen. Dat had naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op de weg van FTA gelegen.
4.6.
Daar komt bij dat FTA heeft nagelaten om melding te maken van de inhoudelijke reactie van de advocaat van [eiser] van 19 september 2025 op de gepretendeerde vordering van FTA inzake het negatieve eigen vermogen van RCC, ook nadat de rechtbank vragen heeft gesteld over de afspraken en aan FTA op 24 september 2025 expliciet heeft gevraagd om een sommatie inzake de betaling van de vordering over te leggen én de reactie(s) van of namens van [eiser] daarop mee te delen. FTA kreeg daarmee gelegenheid om alle correspondentie alsnog te overleggen en de beslagrechter nader voor te lichten, maar deed dat niet. Dit had wel gemoeten.
4.7.
Ten slotte stelt FTA in het beslagrekest dat [eiser] een hoger salaris dan afgesproken aan zichzelf zou hebben uitgekeerd, maar ter zitting is desgevraagd door FTA bevestigd dat [eiser] helemaal geen toegang had tot de bankrekening(en) van RCC, waardoor hij feitelijk ook geen geld naar zichzelf kon overmaken. Dat [eiser] – zoals FTA in het beslagrekest wel stelt – teveel salaris aan zichzelf zou hebben uitgekeerd is dan ook feitelijk onjuist.
4.8.
Gelet op het voorgaande, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat FTA de beslagrechter onvolledig en onjuist heeft voorgelicht over voor de beoordeling van het beslagrekest relevante punten. Dit levert een schending van artikel 21 Rv op. FTA heeft niet aannemelijk gemaakt dat indien de bewuste informatie wél was verstrekt, de beslagrechter ook verlof tot het leggen van de beslagen zou hebben gegeven. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter de beslagen zal opheffen.
4.9.
Daar komt nog het volgende bij. Op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt opheffing van een beslag onder meer uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Uit het beslagrekest volgt dat de vordering van FTA inhoudt dat [eiser] 50% van het negatieve vermogen van FTA aan FTA betaalt. Daarmee bedoelt FTA, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat [eiser] 50% van het verlies van de onderneming draagt, zoals volgens FTA tussen [eiser] en [naam] zou zijn afgesproken.
4.10.
Op basis van de stukken en toelichting van partijen constateert de voorzieningenrechter dat partijen hadden afgesproken dat [naam] met name het geld in de onderneming zou brengen en de administratieve en boekhoudkundige kant van de samenwerking zou verzorgen en dat [eiser] de feitelijke werkzaamheden zou uitvoeren voor de onderneming bestaande uit inkoop, onderhoud en verkoop van auto’s. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op de e-mail van 4 mei 2021, waarin [naam] zichzelf de “bankier en risiconemer” van de samenwerking noemt. Ook staat daarin dat voor het geval er twee jaar achtereen verlies gemaakt wordt de samenwerking, kort gezegd, kan worden beëindigd en dat dan geldt: “ [voornaam 1] betaalt het verlies van dit avontuur”.
Weliswaar staat in de tekst van die door [naam] opgestelde e-mail van 4 mei 2021 ook dat de winst of het verlies bij gelijke helfte onder [naam] en [eiser] zou worden verdeeld, maar zo dat toen al werkelijk de bedoeling van partijen was, moet het er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands voor worden gehouden dat die afspraak is aangepast overeenkomstig de inhoud van de eveneens door [naam] opgestelde e-mail van 26 april 2022. Daarin verklaart [naam] : “Het verlies is niet verdeeld. Doe ik ook niet. Ik betaal dat verlies wel.” De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat partijen (nader) zijn overeengekomen, althans [naam] (nader) heeft toegezegd, dat [naam] de verliezen van de onderneming voor zijn rekening zal nemen.
4.11.
Dat het hier alleen zou gaan om de bereidheid van [naam] verliezen tijdelijk voor te schieten, zoals FTA bij monde van [naam] op de zitting naar voren heeft gebracht, vindt geen, althans onvoldoende steun in de gedingstukken. De voorzieningenrechter gaat dan ook verder aan dit niet nader onderbouwde standpunt voorbij.
4.12.
Verder geeft de feitelijke invulling die partijen aan de samenwerking hebben gegeven de voorzieningenrechter evenmin aanleiding om het bestaan van de gepretendeerde vordering van FTA op [eiser] aannemelijk te achten. In dit kader is relevant dat [eiser] heeft gesteld dat hij allerlei werkzaamheden voor [naam] in privé heeft verricht, waardoor hij weinig tot niet toe kwam aan de oorspronkelijk overeengekomen werkzaamheden voor de samenwerking. Dit is door FTA niet, althans onvoldoende, weersproken. Bovendien heeft [eiser] een betaaloverzicht overgelegd waaruit volgens [eiser] volgt dat [naam] weliswaar geld overmaakte naar RCC (Scrypt), maar dit geld ook weer aan deze vennootschap onttrok voor andere (privé)doeleinden, waardoor feitelijk niet het afgesproken werkkapitaal voor inkoop van auto’s aan RCC ter beschikking werd gesteld.
Dictum
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
heft op het namens FTA ten laste van [eiser] gelegde derdenbeslag op de bankrekeningen van [eiser] onder COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.;
5.2.
heft op het namens FTA ten laste van [eiser] gelegde beslag op de BMW met kenteken [kenteken] ;
5.3.
veroordeelt FTA in de proceskosten van € 1.725,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als FTA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet FTA € 46,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
veroordeelt FTA in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van FTA af;
5.8.
veroordeelt FTA in de proceskosten van € 692,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als FTA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet FTA € 46,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.9.
veroordeelt FTA in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.10.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
lp
Citaten worden weergegeven inclusief eventuele taal- en/of tikfouten.
Zie de Beslagsyllabus onder A.
Feiten
Diezelfde dag heeft de advocaat van [eiser] zich bij de advocaat van FTA gemeld en op 19 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] inhoudelijk gereageerd op de brieven van FTA.
2.9.
In de tussentijd is op 16 september 2025 namens FTA bij de rechtbank Den Haag een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ingediend. De rechtbank heeft FTA vervolgens verzocht om een nadere onderbouwing van het negatieve vermogen waarvan [eiser] gehouden zou zijn 50% te dragen. FTA heeft in reactie daarop een verklaring van de accountant van FTA overgelegd. Op 24 september 2024 heeft de rechtbank een bericht naar FTA gestuurd, waarin onder meer staat:
“De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het verlof nog niet kan worden
verleend. Er is behoefte aan een aanpassing / aanvulling op de volgende punten:
In randnummer 2 wordt gesteld dat de afspraken zijn vastgelegd in een document
van 3 mei 2021. Dit document is echter niet ondertekend. De voorzieningenrechter
verzoekt een ondertekende overeenkomst te overleggen. Indien een ondertekende
overeenkomst ontbreekt, dient te worden toegelicht waarom deze niet is
ondertekend;
Een toelichting of gerekestreerde is gesommeerd tot betaling van 50% van het totale
begrote negatieve eigen vermogen van €210.000,00 (zijnde € 105.000,00), en wat
diens reactie hierop is geweest. Indien een sommatie is verstuurd, wordt verzocht
deze over te leggen.”
2.10.
Ten aanzien van de vragen over de afspraken heeft FTA in het aangepaste verzoekschrift onder meer het volgende opgenomen:
“37. Het als productie 2 overgelegde document is tussen partijen niet ondertekend. Dit is
ook geen vereiste om tot rechtsgeldige en bindende afspraken te komen. De in productie 2 opgenomen afspraken vormen de basis van de samenwerking. Productie 2, de inhoud daarvan én het feit dat de daarin opgenomen afspraken aan de samenwerking ten grondslag liggen, staat tussen partijen als zodanig ook niet ter discussie.
38. [eiser] betwist dat hij tot betaling van zijn aandeel in het negatieve kapitaal van
RCC is gehouden en baseert zich op een andere overweging in productie 2. [eiser] verwijst in de als productie 7 overgelegde brief naar de zinsnede: ‘ [voornaam 1] betaalt het verlies van dit avontuur”. [eiser] erkent aldus dat productie 2 de tussen partijen gemaakte afspraken weergeeft, maar geeft aan de inhoud daarvan een andere uitleg. De beoordeling van de uitleg van partijen van de in productie 2 vastgelegde afspraken, behoort toe aan de rechter in de bodemprocedure.”
2.11.
Ten aanzien van de tweede vraag heeft FTA naar voren gebracht dat zij [eiser] de mogelijkheid heeft geboden dat FTA de vordering zou beperken tot € 47.500,00 als [eiser] medewerking zou verlenen aan ontvlechting van de samenwerking. Omdat [eiser] het lagere bedrag niet heeft voldaan, en onder verwijzing naar de brief van [eiser] van 15 september 2025, concludeerde FTA dat [eiser] niet bereid was tot betaling van het lagere bedrag. Het kwam haar daarom niet logisch voor [eiser] nogmaals aan te schrijven en [eiser] te sommeren tot betaling van een hoger bedrag; € 105.000,00 in dit geval. Uit de brief van [eiser] zou reeds volgen dat hij niet aan een dergelijke sommatie zou voldoen.
2.12.
Op 29 september 2025 is beslagverlof verleend voor een bedrag van € 136.500,00. Op 1 oktober 2025 is vervolgens beslag gelegd op de bankrekeningen en auto van [eiser] . De advocaat van [eiser] heeft FTA diezelfde dag gewezen op onwaarheden uit het beslagrekest en om opheffing van de beslagen verzocht. De beslagen werden niet opgeheven en zodoende is [eiser] overgegaan tot dagvaarden in kort geding.
Beoordeling
Ook dit heeft FTA naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet, althans onvoldoende, weersproken.
4.13.
Verder kreeg [eiser] van FTA een managementfee uitgekeerd, die in de ogen van zowel van [eiser] als van [naam] diende als salaris voor [eiser] . Dit duidt volgens de voorzieningenrechter meer op een ondergeschikte relatie tussen [eiser] en [naam] dan wel FTA, dan op een situatie waarbij sprake was van gelijkwaardige vennoten.
4.14.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, in onderling verband beschouwd, acht de voorzieningenrechter het waarschijnlijk dat de bodemrechter de vordering van FTA dat [eiser] gehouden is om 50% van het verlies van de onderneming aan haar te voldoen, zal afwijzen. Dit leidt tot de conclusie dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd. Ook hierom moet het beslag worden opgeheven. Een belangenafweging kan in dit geval niet leiden tot het oordeel dat het beslag desondanks moet blijven liggen.
4.15.
De voorzieningenrechter zal, gelet op de bevoegdheid die hij daartoe heeft, het beslag in dit vonnis opheffen in plaats van de gevorderde veroordeling uit te spreken.
4.16.
Het gevorderde verbod om opnieuw beslag te leggen, zonder de beslagrechter – kort gezegd – over het vorige beslagrekest en deze procedure te informeren, wordt afgewezen. Immers rust op FTA al de verplichting om in een eventueel nieuw beslagrekest melding te maken van alle lopende, doorlopen of beëindigde procedures die relevant zijn voor een goede beoordeling van de zaak, waaronder ook begrepen dit vonnis en eerder ingediende beslagrekesten bij deze of een andere rechtbank. De voorzieningenrechter ziet gelet daarop geen noodzaak voor het gevorderde verbod.
4.17.
De vordering van [eiser] om FTA te veroordelen tot betaling van de kosten van € 80,00 die door de bank bij [eiser] in rekening zijn gebracht, dan wel zullen worden gebracht, wordt eveneens afgewezen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat deze kosten daadwerkelijk en in deze omvang bij [eiser] in rekening zijn gebracht.
4.18.
FTA is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een reële proceskostenveroordeling. De proceskosten van [eiser] worden – op de gebruikelijke wijze – begroot op:
- dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 139,00
Totaal € 1.725,04
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.20.
FTA vordert in reconventie op grond van, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, artikel 195 Rv afgifte van dan wel inzage in de wachtwoorden van en toegang tot alle RCC mailboxen, de wachtwoorden van de website c.q. het domein en alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini en/of ten behoeve van andere derden uitgevoerde werkzaamheden
4.21.
Als formeel verweer voert [eiser] aan dat FTA niet ontvankelijk is, omdat de vordering van FTA eigenlijk een vordering van Scrypt zou betreffen en Scrypt geen partij is in deze procedure. [eiser] heeft dit verder niet, althans onvoldoende, toegelicht en de voorzieningenrechter gaat hier dan ook aan voorbij.
4.22.
Verder heeft [eiser] betwist dat FTA een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen in reconventie.
4.23.
Ook voor vorderingen in reconventie geldt dat een eiser een spoedeisend belang moet hebben bij zijn vordering. Er is sprake van een spoedeisend belang als van FTA in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht.
4.24.
De voorzieningenrechter overweegt dat er onder meer door FTA al een bodemprocedure tegen [eiser] aanhangig is gemaakt waarin ook de vorderingen in reconventie van dit kort geding aan de orde komen. Indien het al mogelijk is om tijdens een lopende bodemprocedure in kort geding nog een inzagevordering in te stellen, geldt dat FTA aannemelijk zal moeten maken dat zij daarbij een spoedeisend belang heeft. FTA heeft haar spoedeisend belang bij die vorderingen in dit kort geding aanvankelijk in het geheel niet toegelicht. Ter zitting heeft FTA over het spoedeisend belang alsnog opgemerkt dat er door derden zou zijn gevraagd naar facturen. Deze stelling en het belang ervan voor de beoordeling van de vereiste spoedeisendheid, heeft FTA verder niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het spoedeisend belang bij haar vorderingen is door FTA naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom onvoldoende duidelijk gemaakt.
4.25.
Alleen al wegens een gebrek aan spoedeisend belang moeten de vorderingen van FTA in reconventie dus worden afgewezen, maar voor de voorzieningenrechter weegt ook nog het volgende mee.
4.26.
Ten aanzien van de vordering inzake de wachtwoorden verschillen partijen van mening over de vraag of het zogenaamde domein van RCC aan [eiser] of aan RCC (en daarmee aan FTA en/of Scrypt) toebehoort. Een beslissing inzake het verstrekken van de wachtwoorden, vergt dus ook een beslissing over het geschilpunt van wie het domein is. Dat geschil ligt in de reeds aanhangige bodemprocedure voor en daar zal het dan ook beoordeeld worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent het kort geding zich minder voor een oordeel over dit geschilpunt van partijen, omdat daarin geen plaats is voor nader (feiten)onderzoek en nadere bewijslevering. Het is dan ook aan de bodemrechter om over dit punt te beslissen.
4.27.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van FTA in reconventie worden afgewezen.
4.28.
FTA is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat € 553,50
- nakosten € 139,00
Totaal € 692,50
4.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.