Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:21783
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,791 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53331
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Celikkal, als waarnemer van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist alle zware en lichte gronden.
1.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij (onder andere) de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Voor zware grond 3h geldt dat verweerder, in aanvulling op de feitelijke toelichting, nader moet toelichten waarom op basis van die grond moet worden aangenomen dat een risico op onttrekking bestaat.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft sinds het besluit van 17 december 2015, waarbij (onder meer) aan hem een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd, geen rechtmatig verblijf meer en eiser heeft zijn illegaal verblijf sindsdien niet (steeds) gemeld bij de korpschef. Hiermee heeft eiser zich (meermalen) enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk bij besluit van 17 december 2015 een terugkeerbesluit (zonder vertrektermijn) gekregen en heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3h zich feitelijk voordoet, aangezien aan eiser bij besluit van 17 december 2015 ook een zwaar inreisverbod is opgelegd. Ook heeft verweerder deugdelijk toegelicht dat op basis van die zware grond moet worden aangenomen dat er een risico op onttrekking bestaat. Verweerder leidt immers terecht een onttrekkingsrisico af uit de omstandigheid dat eiser al jarenlang een illegaal verblijf in Nederland onder de vigeur van een zwaar inreisverbod en daarmee het plegen van een misdrijf (artikel 197 Wetboek van Strafrecht) verkiest boven het terugkeren naar Marokko.
1.4.
Verweerder heeft dus in ieder geval de zware gronden 3b, 3c en 3h aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze zware gronden zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De betwiste lichte gronden behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.
2.1.
Gelet op de onder 1.4. genoemde dragende zware gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser zich (meermalen) aan het toezicht heeft onttrokken door zich niet (steeds) te melden bij de autoriteiten, niet heeft voldaan aan de uit het besluit van 17 december 2015 voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten en al jarenlang een (strafbaar) verblijf onder de vigeur van een zwaar inreisverbod in Nederland verkiest boven een terugkeer naar Marokko, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om zich aan een meldplicht te houden is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Eiser heeft vaker in bewaring gezeten, maar een laissez-passer (lp) is nooit afgegeven. Er doen zich volgens eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden voor die aanleiding geven om aan te nemen dat een lp deze keer wel zal worden afgegeven.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269), 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).
3.2.
Over het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt het volgende. Verweerder heeft op 14 april 2023 ten behoeve van eiser een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Op 12 september 2023 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit en identiteit bevestigd. Er is toen ook een lp-toezegging gedaan door de Marokkaanse autoriteiten. Op 4 en 28 juni 2024 heeft de Marokkaanse consul contact opgenomen met verweerder en verzocht om nadere informatie over eiser (onder andere over de reden van intrekking van eisers Nederlandse nationaliteit en de reden van zijn detentie). Eiser heeft geweigerd de toestemmingsverklaring voor het delen van deze informatie met de Marokkaanse autoriteiten te ondertekenen. In de zomer van 2024 heeft eiser een telefoongesprek met de consul gevoerd. De informatie die eiser tijdens dat telefoongesprek heeft gegeven is doorgestuurd naar Rabat voor onderzoek. De vragen van de Marokkaanse autoriteiten over zijn detentie/strafrechtelijke verleden zijn in dat telefoongesprek niet aan de orde gekomen/niet beantwoord. Tijdens het vertrekgesprek op 11 maart 2025 heeft de regievoerder aan eiser uitgelegd dat er een lp-toezegging ligt en dat, na het ondertekenen van de toestemmingsverklaring voor het delen van de gevraagde informatie, de Marokkaanse autoriteiten een lp voor hem zullen afgeven. Eiser heeft daarop laten weten dat hij nog steeds weigert het formulier te ondertekenen, omdat de Marokkaanse autoriteiten niet hoeven te weten wat hij in Nederland op zijn naam heeft staan. Tijdens het vertrekgesprek op 4 november 2025 heeft eiser volhard in zijn weigering om toestemming te geven voor het delen van informatie aan de Marokkaanse autoriteiten, omdat hij daar met een schone lei wil beginnen.
Conclusie
4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.