Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:21743
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
767 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/837012-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 november 2025
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[de veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 november 2024 (regie) en 29 oktober 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. M.C. Stolk op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.S. van der Biezen op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 53.487,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3De grondslag voor ontneming
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het eerste en tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering, omdat de verdediging vrijspraak heeft verzocht van het strafbare feit waar de ontneming op gebaseerd is.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De veroordeelde is in de strafzaak vrijgesproken van het strafbare feit waar de berekening van de ontneming op ziet. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter,
mr. E. Rabbie, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2025.