Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:21711
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,155 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54446
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. De minister heeft op 27 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 november 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.
Beoordeling
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 oktober 2025) rechtmatig is.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering nu de Marokkaanse autoriteiten niet reageren op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) en rappels hierover. De minister werkt onvoldoende voortvarend aan de verwijdering. Er worden slechts ‘standaardhandelingen’ verricht.
4.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. In zijn algemeenheid is zicht op uitzetting naar Marokko aanwezig. De omstandigheid dat nog geen lp is afgegeven, betekent niet dat dit zicht in eisers geval niet bestaat. Uit het enkele feit dat nog niet is gereageerd op de rappels kan niet worden afgeleid dat de Marokkaanse autoriteiten zullen weigeren aan eiser een lp te verstrekken.
4.2.
Uit het voortgangsrapport blijkt dat de lp-aanvraag op 29 augustus 2025 is verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft vervolgens op 25 september 2025 en op 16 oktober 2025 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder is op 1 september 2025, op 2 oktober 2025 en op 4 november 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend. Daarbij komt dat eiser zelf tot dusverre geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om de afgifte van een lp te bespoedigen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:18919.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).