Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:21693
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,250 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.53540
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op
5 november 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op dezelfde dag op gereageerd. De rechtbank heeft op 11 november 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Poolse nationaliteit.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Uit het dossier blijkt niet wanneer het T&O-verzoek is gedaan door verweerder. Omdat dit de eerste uitzettingshandeling is waarmee verweerder eiser kan uitzetten, had dit op dezelfde dag als de oplegging van de maatregel van bewaring kunnen plaatsvinden.
5. Verweerder heeft op 31 oktober 2025 het OM verzocht om aan te geven of het bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. Op 3 november 2025 heeft het OM verweerder meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen eisers uitzetting. Diezelfde dag heeft verweerder een T&O-verzoek ingediend bij de Poolse autoriteiten. Op 4 november 2025 hebben de Poolse autoriteiten aangegeven akkoord te zijn met de terugkeer van eiser. Nadien heeft verweerder onmiddellijk een vlucht voor eiser naar Polen aangevraagd, welke op 5 november 2025 is geaccordeerd. Bovendien heeft op 1 november 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
vijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Terug- en overnameverzoek.
Openbaar Ministerie.