Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:21672
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,685 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/671136 / HA ZA 24-701
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Schippers,
tegen
[gedaagde]
te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.O. Bohr.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
Partijen hebben als investering gezamenlijk een appartement in Spanje aangekocht. Zij hebben daartoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten. [eiser] heeft de samenwerkingsovereenkomst opgezegd. [eiser] vordert dat [gedaagde] aan de hand van verificatoire bescheiden rekening en verantwoording aflegt over gevoerd (financieel) beheer in het kader van de samenwerking. Ook stelt [eiser] zich op het standpunt dat een eindafrekening moet worden opgesteld en [gedaagde] aan [eiser] het bedrag moet betalen dat op grond van de op te stellen eindafrekening aan [eiser] toekomt, waaronder de helft van de waarde van het appartement. [gedaagde] heeft aangegeven bereid te zijn rekening en verantwoording af te leggen, maar niet voor alle uitgaven over bonnen of facturen te beschikken. Volgens [gedaagde] was dat voor [eiser] destijds ook kenbaar. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] geen recht heeft op de helft van de waarde van het appartement, maar op de helft van de opbrengst. Omdat het appartement op dit moment nog niet is verkocht, kan er nog geen eindafrekening worden opgesteld.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] rekening en verantwoording moet afleggen over gevoerd (financieel) beheer. Van [gedaagde] kan echter niet worden verwacht dat hij onderliggende stukken beschikbaar heeft voor uitgaven waarvan voor [eiser] destijds kenbaar was dat daarvoor geen bon beschikbaar was, en [eiser] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Voor wat betreft de eindafrekening geldt dat het appartement als gezamenlijke investering is aangekocht. [gedaagde] en [eiser] hebben daarom recht op de helft van de opbrengst van het appartement. Nu het appartement nog niet is verkocht, kan er nog geen eindafrekening worden opgesteld.
Procesverloop
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 19 juli 2024 met producties 1 tot en met 21,
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,
- het tussenvonnis van 26 maart 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging aanvullende producties van [eiser] met producties 22 tot en met 25.
2.2.
Op 23 april 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde ter zitting. De zaak is op verzoek van partijen aangehouden in afwachting van schikkingsonderhandelingen. Bij akte van 27 augustus 2025 heeft [eiser] gemeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. Tenslotte is vonnis bepaald.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 9 augustus 2022 een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is gesloten in het kader van het aankopen, verbouwen en verhuren van een appartement in de plaats [plaats] (Spanje) aan de [adres] (hierna: het appartement).
3.2.
In de overeenkomst staat, voor zover relevant, opgenomen:
“Overwegen het volgende:
- Partijen zullen deze overeenkomst te goeder trouw en naar beste kunnen uitvoeren zoals van een professioneel dienstverlener mag worden verwacht en zij zullen zich op een eerlijke, billijke en professionele wijze inzetten voor elkaars belangen.
- Partijen zijn voornemens gezamenlijk een project c.q. projecten uit te voeren, bestaande uit aankoop appartement spanje ( [plaats] ) verbouwen voor verkoop/verhuur.
[…]
Artikel 5 – Verdeling van de opbrengsten
1. De opbrengsten worden gelijk (50/50) tussen Partijen verdeeld.
2. Partijen houden een deugdelijke administratie bij van de gemaakte kosten c.q. investeringen en de verrichte werkuren.
Artikel 6 – Verdeling van de eventuele verliezen
1. De eventuele verliezen worden gelijk (50/50) over Partijen verdeeld.
Artikel 7 – Kosten
1. Kosten die worden gemaakt voor de voorbereiding van de Samenwering worden volledig gedragen door de Partij die deze kosten maakt, tenzij hierover schriftelijk andere afspraken worden gemaakt.
2. In het kader van de Samenwerking zullen Partijen kosten maken. Partijen spreken af dat die kosten:
- gezamenlijk gedragen zullen worden
[…]
Artikel 16 – Einde van de Overeenkomst
1. Partijen zijn gerechtigd deze Overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden.
[…]
Artikel 17 – Gevolgen van de beëindiging van de Overeenkomst
1. Binnen 6 maanden na beëindiging van de Overeenkomst zal er een eindafrekening plaatsvinden tussen Partijen op grond van hetgeen zij in het kader van deze Samenwerking tot stand hebben gebracht.
[…]
Artikel 19 – Conflicten
1. Indien tussen Partijen een geschil ontstaat gedurende de looptijd van de Samenwerking, zullen zij in eerste instantie in overleg met elkaar treden over mogelijke oplossingen.
2. Indien onderling overleg niet leidt tot beslechting van het geschil, zullen Partijen een onafhankelijke mediator inschakelen ten einde een oplossing voor het ontstane geschil te vinden.
3. Pas als zowel het onderling overleg als het traject bij een mediator niet slaagt, zullen Partijen in overleg treden over een mogelijke beëindiging van de Samenwerking, waarbij Partijen zo veel mogelijk rekening zullen houden met elkaars belangen.
[…]
3.3.
Het appartement is op 11 augustus 2022 door [gedaagde] aangekocht. Het appartement is
vervolgens verbouwd en door partijen verhuurd. De verhuuropbrengsten werden bij helfte
verdeeld.
3.4.
De huurder kwam echter vanaf juni 2023 zijn betalingsverplichtingen niet meer
na. Per Whatsappbericht van 28 juni 2023 is de huurder gesommeerd de achterstallige
huur en kosten te voldoen. Daaraan is door de huurder geen gehoor gegeven. De huurder
is vervolgens uit het appartement gezet.
3.5.
Per e-mail van 1 juli 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht om betaling van de
(helft van de) huur. [eiser] heeft [gedaagde] in datzelfde e-mailbericht in gebreke gesteld en
aangekondigd te overwegen de samenwerking te beëindigen.
3.6.
Op 14 juli 2023 heeft [eiser] op grond van artikel 16 lid 1 van de
overeenkomst de samenwerking opgezegd. [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens op Whatsapp
geblokkeerd.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:
- tot het afleggen van (met verificatoire bescheiden onderbouwde) rekening en verantwoording van het door [gedaagde] gevoerde (financiële) beheer over op grond van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen uitgevoerde activiteiten (waaronder, doch niet uitsluitend, de koop, verbouw en verhuur van het appartement in Spanje) in de periode van 9 augustus 2022 tot 14 oktober 2023, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan het gebod te voldoen ingaande vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
- tot afgifte van de aankoopdocumenten en overige documenten ter zake van het appartement in [plaats] in Spanje dat door partijen op grond van de samenwerkingsovereenkomst is geëxploiteerd, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan het gebod te voldoen ingaande vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
- tot het laten taxeren van het appartement te [plaats] in Spanje door een in Spanje erkend en ter plaatse bekende makelaar, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan het gebod te voldoen ingaande vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
- Indien en voor zover het appartement te [plaats] in Spanje reeds verkocht is, tot afgifte van de koopovereenkomst en tot het overleggen van een taxatierapport van een in Spanje erkend en ter plaatse bekende makelaar, waaruit de redelijkheid van de verkoopprijs blijkt, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan het gebod te voldoen ingaande vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
- zijn medewerking te verlenen tot het benoemen van een gezamenlijke accountant die de eindafrekening zal opstellen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan het gebod te voldoen ingaande vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
- tot betaling van het bedrag dat op grond van de op te stellen eindafrekening aan eiser toekomt waaronder de helft van de waarde van het appartement, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente dan wel de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- in de kosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
Beoordeling
Er bestaat een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording
5.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] rekening en verantwoording aflegt van het door [gedaagde] gevoerde (financiële) beheer over op grond van de overeenkomst tussen partijen uitgevoerde activiteiten (waaronder de aankoop, verbouwing en verhuur van het appartement) in de periode 9 augustus 2022 tot en met 14 oktober 2023.
5.2.
Een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording kan berusten op de wet of voortvloeien uit een contractuele relatie. Ook kan een rechtsverhouding die een rekenplicht impliceert, voortvloeien uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Aan het oordeel dat een verplichting tot rekening en verantwoording bestaat, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.
5.3.
In de onderhavige zaak rust op partijen over en weer een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording voor gevoerd beheer op grond van de overeenkomst. Tussen [eiser] en [gedaagde] is immers sprake van een contractuele relatie waaruit voortvloeit dat (i) partijen een ‘deugdelijke administratie’ omtrent inkomsten en uitgaven bijhouden (artikel 5 van de overeenkomst), (ii) een eindafrekening wordt opgesteld bij het eindigen van de samenwerking (artikel 17 lid 1 van de overeenkomst), en (iii) partijen zich op een eerlijke, billijke en professionele wijze inzetten voor elkaars belangen (overwegingen bij de overeenkomst). Daarnaast strekt de samenwerking ertoe dat partijen gezamenlijk een project uitvoeren bestaande uit de aankoop van een appartement om deze vervolgens te verbouwen en daarna te verkopen of te verhuren. De rechtsverhouding vertoont daarmee ook enige verwantschap met de (goederenrechtelijke) gemeenschap, waarbij de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording bij wet is geregeld (artikel 3:173 BW).
Aan de rekening en verantwoording kunnen echter geen hoge eisen worden gesteld
5.4.
De inhoud van hetgeen als rekening en verantwoording mag worden verlangd, wordt bepaald door de aard van de rechtsverhouding die een partij verplicht zich omtrent de behoorlijkheid van vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden, en door de omstandigheden van het gegeven geval.
5.5.
Vast staat dat [gedaagde] het beheer heeft gevoerd over het in Spanje gelegen appartement. Partijen hebben voor de administratie van gemaakte uitgaven afgesproken gebruik te maken van een digitaal systeem genaamd ‘Numbers’. [eiser] en [gedaagde] hadden daar beiden toegang toe. Uit de stukken volgt dat dit programma vanaf het begin af aan door partijen is gebruikt, zowel voor het bijhouden van taken als het administreren van uitgaven.
5.6.
[gedaagde] heeft te kennen gegeven bereid te zijn rekening en verantwoording af te leggen, maar niet van alle uitgaven een bon of factuur te hebben. Volgens [gedaagde] was dat bij [eiser] ook bekend en is [eiser] daarmee akkoord gegaan. [gedaagde] heeft in dit kader onder meer gewezen op de in het Numbers-programma opgenomen lijst van ‘losse uitgaven zonder bon’ waartegen [eiser] nooit bezwaar heeft gemaakt. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij meermaals aan [eiser] , onder meer via Whatsapp, heeft gemeld dat hij - onder opgave van een specifieke uitgave - kosten heeft gemaakt waarvan hij geen bon zou hebben. [eiser] heeft daar niet tegen geprotesteerd.
5.7.
Partijen hielden er aldus een nogal informele manier van administratie op na in het kader waarvan het ontbreken van een bon of factuur geruime tijd geen reden voor protest of overleg is geweest. Het was partijen aldus duidelijk dat van diverse uitgaven geen onderliggende (bewijs)stukken beschikbaar zijn. Partijen hebben daar genoegen mee genomen. In het bijzonder heeft [eiser] niet geprotesteerd op het moment waarop bepaalde uitgaven werden gedaan en hem door [gedaagde] per Whatsapp of via invoering in het Numbers-programma werd medegedeeld dat er geen bon beschikbaar zou zijn. Het kan daarom nu – jaren later – niet van [gedaagde] worden verwacht dat hij alle uitgaven kan onderbouwen met een factuur of betaalbewijs. In ieder geval kan dit niet worden verwacht van de uitgaven waarvan [gedaagde] eerder (expliciet of via invoering in het Numbers-programma) aan [eiser] heeft laten weten dat daarvan geen bon of factuur aanwezig was.
5.8.
[gedaagde] dient aldus aan de hand van bankafschriften en beschikbare stukken zo nauwkeurig mogelijk rekening en verantwoording af te leggen. Van [gedaagde] kan echter niet worden verwacht dat hij onderliggende stukken beschikbaar heeft voor uitgaven waarvan destijds – direct of via het Numbers-programma – voor [eiser] kenbaar was dat daarvoor geen bon beschikbaar was, en [eiser] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De vordering van [eiser] zal met dien verstande worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde dwangsom. De gevorderde dwangsom is immers in het licht van de bereidwilligheid van [gedaagde] tot het afleggen van rekening en verantwoording wat de rechtbank betreft onnodig.
Afgifte van gevorderde bescheiden (vordering 2 en 4)
5.9.
Partijen zijn overeengekomen dat een ‘deugdelijke administratie’ wordt bijgehouden en partijen zich op een eerlijke, billijke en professionele wijze inzetten voor elkaars belangen (artikel 5 en de overwegingen bij de overeenkomst). Daaruit volgt dat beide partijen recht hebben op beschikbare stukken die direct verband houden met de samenwerkingsovereenkomst en de in dat kader uitgevoerde werkzaamheden.
5.10.
[eiser] heeft dus recht op afgifte van de gevorderde aankoopdocumentatie van het appartement. Gezien het feit dat de aankoopdocumentatie van het appartement al in het geding lijkt te zijn gebracht, maar de rechtbank niet kan overzien of dit alle aankoopdocumentatie betreft, zal de rechtbank de gevorderde afgifte toewijzen maar daaraan geen dwangsom verbinden. De verwijzing naar ‘overige documenten’ in vordering 2 is te onbepaald en kan om die reden niet worden toegewezen.
5.11.
Verder heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat het appartement niet is verkocht en er geen taxaties zijn verricht. De vordering tot afgifte van taxatierapporten of verkoopdocumentatie (vordering 4) wordt daarom afgewezen.
5.12.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de stukken ter onderbouwing van het door [gedaagde] gevoerde (financiële) beheer reeds in het kader van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording met [eiser] zullen moeten worden gedeeld.
Partijen hebben recht op de helft van de opbrengst van het appartement
5.13.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen tot het benoemen van een gezamenlijke accountant die de eindafrekening zal opstellen. Ook vordert [eiser] betaling van het bedrag dat op grond van de op te stellen eindafrekening aan [eiser] toekomt, waaronder de helft van de waarde van het appartement. [gedaagde] heeft erkend dat hij uiteindelijk verplicht is aan [eiser] te betalen wat hem op grond van de eindafrekening toekomt. [gedaagde] betwist echter dat [eiser] recht heeft op de helft van de waarde van het appartement. Volgens [gedaagde] komt aan [eiser] de helft van de opbrengst toe, na verkoop van het appartement.
5.14.
In de overeenkomst staat geen regeling opgenomen over de verkoop van het appartement bij beëindiging van de overeenkomst.
Dictum
De rechtbank
6.1.
gebiedt [gedaagde] , met in achtneming van hetgeen overwogen in 5.8, tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door [gedaagde] gevoerde (financiële) beheer over op grond van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen uitgevoerde activiteiten (waaronder de koop, verbouwing en verhuur van het appartement in Spanje) in de periode van 9 augustus 2022 tot 14 oktober 2023,
6.2.
gebiedt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van (afschriften van) de aankoopdocumenten van het appartement in [plaats] (Spanje) aan de [adres] ,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Hengeveld en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274.
HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251 (Velasquez/Zalinco BV, Curaçaose zaak).
HR 2 december 1994, ECLI:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548.
HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078.
Beoordeling
Wel staat in algemene zin opgenomen dat eventuele opbrengsten en verliezen ‘50/50’ over partijen wordt verdeeld (artikelen 5 en 6 van de overeenkomst). Partijen hebben als inzet van de samenwerking het doel gehad om zoveel mogelijk rendement te maken op een gezamenlijke investering in onroerend goed in Spanje. Partijen lopen om die reden ook gezamenlijk het risico van een tegenvallende verkoopopbrengst. Uit de overeenkomst vloeit – zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt – niet voort dat [gedaagde] [eiser] daarvoor heeft gevrijwaard. [gedaagde] heeft daarom terecht gesteld dat [eiser] geen aanspraak maakt op de helft van de waarde van het appartement, maar op de helft van de opbrengst. De rechtbank merkt daarbij op dat daaraan niet af doet dat het appartement alleen op naam van [gedaagde] staat. Zoals [gedaagde] heeft toegelicht was daarvoor immers de reden dat alleen [gedaagde] op het moment van aankoop over een zogenoemd NIE-nummer beschikte. Dat het appartement alleen op naam van [gedaagde] staat doet niet af aan wat partijen met elkaar in de overeenkomst hebben afgesproken.
Totdat het appartement is verkocht, kan er geen eindafrekening worden opgesteld
5.15.
Hoewel in de overeenkomst staat opgenomen dat binnen 6 maanden na beëindiging van de overeenkomst een eindafrekening moet worden opgesteld, kan daarvan geen sprake zijn voordat het appartement is verkocht. Immers, zoals hiervoor besproken hebben beide partijen recht op de helft van de (verkoop)opbrengst van het appartement. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat het appartement nog niet is verkocht omdat er vanwege het ontbreken van een vergunning voor de eerder verrichte verbouwwerkzaamheden eerst een (bouwkundige) verklaring moet worden verkregen over de deugdelijkheid van die werkzaamheden.
5.16.
Er kan op dit moment dus nog geen eindafrekening worden opgesteld, waardoor de vorderingen van [eiser] over het opstellen van de eindafrekening en de betaling van wat [eiser] op grond van de eindafrekening toekomt, worden afgewezen.
Ook de gevorderde taxatie wordt afgewezen
5.17.
[eiser] heeft ook gevorderd om [gedaagde] te gebieden het appartement in Spanje te laten taxeren. Daaraan heeft [eiser] eveneens de stelling ten grondslag gelegd dat hij recht zou hebben op de uitbetaling van de helft van de waarde van het appartement.
5.18.
Gezien het feit dat [eiser] echter geen recht heeft op de helft van de waarde van appartement en in het licht van de toelichting van [gedaagde] over de huidige onverkoopbaarheid van het appartement, heeft [eiser] onvoldoende toegelicht welk belang hij heeft bij zijn vordering. Partijen zullen namelijk allereerst samen moeten bekijken hoe het appartement verkoopbaar te maken. Daarbij merkt de rechtbank op dat het [eiser] in beginsel vrij staat zelf een taxatie te laten verrichten. Zoals [gedaagde] ter zitting te kennen heeft gegeven, kan aan [eiser] een sleutel van het appartement worden gegeven en staat het hem vrij in het kader van de afwikkeling van de samenwerking de noodzakelijke stappen voor verkoop van het appartement te nemen. Waarbij tevens geldt dat de (redelijke) kosten die in het kader van de afwikkeling worden gemaakt op grond van artikel 7 lid 2 van de overeenkomst in beginsel voor rekening komen van beide partijen gezamenlijk.
Het beroep op de mediationclausule brengt geen afwijzing van de vorderingen met zich
5.19.
[gedaagde] heeft opgemerkt dat artikel 19 van de overeenkomst voorschrijft dat partijen voordat de overeenkomst wordt geëindigd een mediator inschakelen om een tussen partijen ontstaan geschil te beslechten. [eiser] heeft zich daaraan volgens [gedaagde] niet gehouden. [gedaagde] heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen en dat [eiser] in de kosten van de procedure moet worden veroordeeld.
5.20.
De inhoud van een zogenoemde mediationclausule moet door uitleg daarvan worden vastgesteld. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de mediationclausule mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Een mediationclausule kan een niet-verplichtend karakter hebben. Ook is mogelijk dat een mediationclausule partijen verplicht mediation te beproeven voordat zij in rechte (of in arbitrage) een procedure aanhangig maken.
5.21.
De mediationclausule zoals door partijen overeengekomen schrijft echter niet voor dat partijen eerst mediation moeten beproeven voordat zij een procedure aanhangig mogen maken. De mediationclausule bepaalt in plaats daarvan dat partijen pas over beëindiging van de overeenkomst mogen spreken nadat mediation is geprobeerd. Artikel 19 van de overeenkomst lijkt daarmee een andere regeling voor te schrijven dan de in artikel 16 opgenomen expliciete mogelijkheid tot beëindiging van de overeenkomst met een opzegtermijn van 3 maanden. Hoe deze artikelen zich tot elkaar verhouden is door [gedaagde] niet toegelicht. De rechtbank stelt echter vast dat de vorderingen van [eiser] die zullen worden toegewezen verband houden met de verplichtingen van [gedaagde] onder de overeenkomst en losstaan van de beëindiging van de overeenkomst. Zo vloeit uit de overeenkomst voort dat [gedaagde] rekening en verantwoording voor gevoerd beheer moet afleggen en [eiser] recht heeft op bepaalde stukken. In zoverre kan het beroep van [gedaagde] op artikel 19 van de overeenkomst dus niet tot afwijzing van die vorderingen leiden.
5.22.
In dit kader merkt de rechtbank ook op dat partijen uiteindelijk met elkaar in gesprek zijn gegaan over een minnelijke oplossing. Partijen hebben daartoe om aanhouding verzocht, wat door de rechtbank is toegestaan. Partijen hebben vervolgens aan de rechtbank gemeld dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen en een vonnis wensen. Partijen hebben de rechtbank niet verzocht de procedure aan te houden in afwachting van de uitkomst van een mediationtraject.
De proceskosten worden gecompenseerd zodat beide partijen hun eigen kosten dragen
5.23.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.