Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:21564
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,646 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53803
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
1. De minister heeft op 20 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 oktober 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat op 14 oktober 2024, dertien maanden geleden, een lp-aanvraag naar de Egyptische autoriteiten is verzonden. Hierop is nog niet gereageerd. Daarom meent eiser dat er niet meer gesproken kan worden van zicht op uitzetting. Ook voert eiser aan dat de vreemdelingenbewaring hem steeds zwaarder valt. Zo lijdt hij aan slapeloosheid en heeft hij pijnklachten aan zijn been. Eiser is bereid om zich aan vreemdelingentoezicht te onderwerpen en zal zich aan een eventuele meldplicht houden. Eiser meent dan ook dat het opleggen van een lichter middel in de rede ligt.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2024. Hierin zijn de uitzettingscijfers naar Egypte opgenomen en is op basis daarvan geoordeeld dat zicht op uitzetting (in het algemeen) niet ontbreekt. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een oordeel te komen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat voor eiser een lp-traject is opgestart en dat niet is gebleken dat de Egyptische autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Dat tot op heden nog geen reactie is ontvangen op het verzoek gericht aan de liaison officier maakt dat niet anders, omdat een dergelijk onderzoek enige tijd in beslag kan nemen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser geen medewerking heeft verleend aan zijn uitzetting. Zo heeft hij geen enkel initiatief genomen om aan documenten te komen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Dat de bewaring daardoor mogelijk langer duurt komt daarom voor zijn rekening en risico. Niet is uitgesloten dat, indien eiser zijn volledige medewerking verleent, de Egyptische autoriteiten (sneller) zullen overgaan tot het verlenen van een lp. Ook hierom is het zicht op uitzetting gegeven.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 16 oktober 2025 en 7 november 2025 (schriftelijk) is gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten. Ook heeft op 5 november 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden.
5.2.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. De stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt, maakt dit niet anders. Dat geldt ook voor eisers beroepsgrond dat hij lijdt aan slapeloosheid en pijnklachten aan zijn been heeft, nu een onderbouwing van deze klachten ontbreekt. Daar komt bij dat er op het detentiecentrum een medische dienst aanwezig is waar eventuele medische behandeling kan worden gegeven.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
NL25.47768, ECLI:NL:RBDHA:2025:18909.
Laissez-passer.
ECLI:NL:RBDHA:2024:18251.