Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:21560
Civiel recht
Wraking
1,489 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Procesverloop
1.1.
Per e-mail van 3 november 2025 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over de dossiers in de hoofdzaken met zaaknummers 11896997 RP VERZ 25-50736, 11896998 RP VERZ 25-50737 en 11896999 RP VERZ 25-50738 (hierna: de hoofdzaken).
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek heeft betrekking op de rechter(s) in de hoofdzaken. De hoofdzaken betreffen drie door verzoeker ingediende verzoekschriften tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
2.2.
Verzoeker heeft in zijn e-mailbericht van 3 november 2025 het volgende geschreven:
“LS,
Hierbij wraak ik de rechter(s) in deze 3 zaken.
De gronden:
1. Het zou de rechter ambtshalve bekend moeten zijn dat ik voor vrijstelling in aanmerking kom. De omstandigheden zijn immers niet gewijzigd. Vgl. Rb. Den Haag d.d. 2 mei 2022, #9555795, r.o. 4.1;
2. U hoort te weten dat een beroep op de hardheidsclausule op basis van het netto inkomen moet. Niet bruto. Nu kunnen de meeste rechters en griffiers niet rekenen - anders ga je niet alleen rechten studeren, de schatjes -, maar het is toch ook echt vaste jurisprudentie, o.a. ECLI:NL:GHSHE:2015:4617; ECLI:NL:RBMNE:2016:4458; ECLI:NL:CRVB:2019:451;
3. De rechter is verantwoordelijk voor het (wan)gedrag van een griffier, zie ECLI:NL:RVS:2023:1794; ECLI:NL:RVS:2025:2800;
4. De anonieme griffier, net als de anonieme rechter, bestaan niet in ons rechtssysteem;
5. Dwang/chantage - in de vorm van griffierecht eisen terwijl ik aan de vrijstellingscriteria ervoor voldoe - is strafbaar en onrechtmatig, vgl. het recht op toegang tot de rechter.
Graag de naam van zowel de rechter als de griffier.
Graag word ik gehoord via hybride verbinding (ECLI:NL:HR:2025:902) op straffe van wraking van de wrakignskamer (vgl. ECLI:NL:HR:2020:155).
Graag excuses en natuurlijk zsm een andere rechter.”
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit het voorgaande volgt dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingediend tegen een rechter die de zaak inhoudelijk behandelt.
3.2.
Het wrakingsverzoek is gedaan in een drietal civiele verzoekschriftprocedures. Zoals eerder in de beslissing van de wrakingskamer van 16 oktober 2025 op een vorig wrakingsverzoek van verzoeker in dezelfde hoofdzaken is overwogen, begint een verzoekschriftprocedure met het door een verzoeker indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank. Na ontvangst van het verzoekschrift wordt verzoeker door de rechtbank verzocht het verschuldigde griffierecht te betalen. In beginsel wordt een verzoek pas nadat het griffierecht is voldaan aan een rechter toegewezen.
3.3.
Verzoeker heeft de naam van de rechter(s) waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft niet genoemd. Evenmin is het de wrakingskamer uit de dossiers in de hoofdzaken gebleken dat de zaak inmiddels aan een rechter is toebedeeld. De tot nu toe in de zaken met verzoeker gevoerde correspondentie is afkomstig van de griffier. Het griffierecht wordt, anders dan verzoeker kennelijk veronderstelt, zonder instructie van een rechter geheven op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Om deze redenen kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.4.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
verzoeker;
de voorzitter van team kanton van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.