Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:21462
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,276 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9832
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 28 juli 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na de uitspraak op dit beroep Nederland dient te verlaten.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 2 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
3. Op 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met dezelfde brief heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 28 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op het nieuw genomen besluit.
3.2.
Met het nieuwe besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en niet heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Marokko, dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat de hem verleende tijdelijke bescherming ten onrechte is beëindigd per 4 maart 2024. Uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. Verweerder heeft in de brief aan de Tweede Kamer van 30 maart 2022 geen onderscheid gemaakt tussen personen die facultatieve tijdelijke bescherming is verleend en zij die verplichte tijdelijke bescherming is verleend en daarmee een dergelijke toezegging gedaan. De beëindiging van de tijdelijke bescherming is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder voert eiser aan dat hem geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd omdat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van de door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 20 maart 2024 toegewezen voorlopige voorziening. Ook eisers verblijfsrecht in Spanje maakt dat verweerder geen terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Verweerder heeft daarbij ten onrechte afgeweken van de gedragslijn die hij toepast bij vreemdelingen wiens tijdelijke bescherming is geëindigd, waarbij een opgelegd terugkeerbesluit wordt opgeheven wanneer een uitschrijving uit de Nederlandse BRP en een inschrijving in een EU-lidstaat wordt overgelegd. Eiser heeft beide stukken overgelegd, waarmee verweerder uit had moeten gaan van eisers verblijfsrecht in Spanje en af had moeten zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Daarnaast is de signalering van eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS), als gevolg van het opleggen van het terugkeerbesluit, onevenredig hard omdat dat eiser belet om tijdelijke bescherming of verblijfsrecht in een ander EU-land te kunnen krijgen. Verweerder had eiser moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende onderzocht en beoordeeld of het terugkeerbesluit een schending van het verbod op refoulement oplevert.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Tijdelijke bescherming en rechtmatig verblijf
5. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 28 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
5.1.
De rechtbank volgt eiser namelijk niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet mocht beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft ook geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
5.2.
De rechtbank stelt verder vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 20 maart 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze uitspraak betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure (procedureel) rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat eiser, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtmatig verblijf in Spanje
6. Uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in een andere lidstaat, eerst een bevel moet worden gegeven zich naar die lidstaat te begeven. Pas indien dat bevel niet wordt nageleefd, of wanneer redenen van openbare orde of nationale veiligheid het vertrek van de vreemdeling vereisen, kan een terugkeerbesluit worden opgelegd. De vaststelling van onrechtmatig verblijf wordt achterwege gelaten, tenzij het bevel niet wordt opgevolgd.
6.1.
Eiser heeft met een uitschrijving uit de BRP, een inschrijving in een Spaanse gemeente en een bewijs van het volgen van een studie onderbouwd dat hij al langere tijd in Spanje verblijft. Hoewel eiser heeft onderbouwd dat hij in Spanje verblijft, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Uit de overgelegde stukken blijkt immers niet dat er sprake is van rechtmatig verblijf. De rechtbank merkt daarbij op dat niet is aangevoerd of onderbouwd dat eiser geen bewijs kan overleggen van zijn gestelde verblijfsrecht in Spanje, zoals een (kopie van) een verblijfsvergunning of aanvraag van een verblijfsdocument. Eiser heeft de gestelde gedragslijn van verweerder, waarbij het overleggen van in- en uitschrijven van de BRP aanleiding geeft tot opheffen van een terugkeerbesluit, onderbouwd met e-mail correspondentie. Hoewel de overgelegde correspondentie de suggestie wekt dat opheffing van het terugkeerbesluit mogelijk is bij het overleggen van deze documenten, maken deze e-mails onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een bestendige gedragslijn en dat daar van af zou zijn geweken in het geval van eiser.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
10. Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €1.814,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez).
Eiser verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:360 (arrest Neamt en Bacau) en van 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:537 (arrest A2A SpA).
De zaak bekend onder nummer NL24.9833 (niet gepubliceerd)
Basisregistratie personen.
Eiser verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 september 2013, ECLI:EU:C:2013:533 (arrest M.G. en N.R.) en van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431 (arrest Boudjlida).
Zie ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4300.
Zie artikel 62a, eerste lid, onder b, en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8312.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (arrest K, L, M, N).
Zie het arrest K.A. van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308 en het arrest X. van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.