Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:21448
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,329 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23638
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: O. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 juni 2023 een asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag afgewezen.
2.1.
Eiser heeft op 26 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 23 juni 2025 heeft eiser zijn gronden van beroep ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het beroepschrift ontvankelijk is, omdat het beroepschrift ruim anderhalf jaar na datum van het bestreden besluit is ingediend.
3.1.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 69, tweede lid, van de Vw, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, een termijn van één week. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.2.
Het bestreden besluit dateert van 20 oktober 2023. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet op juiste wijze aan hem is uitgereikt. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat er meerdere pogingen zijn ondernomen om het bestreden besluit aan eiser uit te reiken. Uiteindelijk is het bestreden besluit in persoon aan eiser uitgereikt tijdens het vertrekgesprek met DT&V op 31 mei 2025. Dit blijkt ook uit het verslag van het vertrekgesprek van 21 mei 2025 dat de gemachtigde van de minister ter zitting aan het dossier heeft gehecht.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat het besluit op 21 mei 2025 aan eiser is uitgereikt in persoon. Dit betekent dat de termijn van één week is begonnen op 22 mei 2025. Het beroep is ingesteld op 26 mei 2025. Het beroep is daarmee tijdig ingediend. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
4. Eiser voert verder aan dat hij ten aanzien van het asielbesluit ten onrechte niet is gehoord. Tot slot voert eiser aan dat in het bestreden besluit niet is vermeld dat hiertegen een bezwaarprocedure open staat.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser (in persoon) is uitgenodigd voor een gehoor op 16 oktober 2023. Eiser heeft voor deze uitnodiging getekend voor ontvangst. Eiser is vervolgens niet verschenen op het gehoor en heeft evenmin laten weten waarom hij niet is gekomen. Eiser heeft ook geen zienswijze ingediend. Nu eiser zelf niet is komen opdagen en evenmin heeft laten weten dat hij alsnog gehoord wil worden, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat hij ten onrechte niet is gehoord.
6. De stelling van eiser dat er geen bezwaarclausule is vermeld in het bestreden besluit volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank stelt vast dat op pagina drie van het bestreden besluit vermeld staat dat eiser binnen één week in beroep kan gaan bij de rechtbank nadat hij het besluit heeft gekregen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
Dienst Terugkeer & Vertrek.