Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:21355
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,008 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/6970
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
de erven van [erflater] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: D. Harreman LL.M),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van verweerder van 1 oktober 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
3.1.
Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
3.2.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
4. Op 16 oktober 2024 heeft verweerder een herziene aangifte erfbelasting van eisers ontvangen. Omdat op dat moment al een definitieve aanslag erfbelasting was opgelegd heeft verweerder de herziene aangifte erfbelasting als bezwaar tegen de definitieve aanslag erfbelasting behandeld.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
5. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag erfbelasting 23 augustus 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op vrijdag 4 oktober 2024.
5.1.
Het bezwaarschrift is door verweerder op 16 oktober 2024 te laat ontvangen.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
6. Eisers hebben de volgende reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Noch eisers noch de gemachtigde hebben het bestreden besluit ontvangen. Eisers gaan ervan uit dat het bestreden besluit evenals de motivering van dat besluit aan het kantoor van de heer [naam] , de executeur van de nalatenschap, is gestuurd. De bestreden aanslag erfbelasting is nooit aan eisers gestuurd. Eisers zijn van mening dat de heer [naam] zijn taken met betrekking tot de vertegenwoordiging van eisers richting de Belastingdienst niet naar behoren uitvoert.
6.1.
Verweerder stelt dat in de aangifte erfbelasting van 23 februari 2023 is verzocht de aanslag te verzenden naar de contact persoon, de heer [naam] , notaris kantoorhoudende te Hellevoetsluis. Dat is ook door verweerder gedaan. Eisers hebben zelf geen aangifte erfbelasting ingediend. In de begeleidende brief bij de aanslag is door verweerder aan [naam] verzocht om de belanghebbenden te informeren over de aanslag. Indien [naam] dat niet heeft gedaan, komt dat voor rekening van eisers.
6.2.
Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van H.J. Hovinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 14 november 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:21355 text/xml public 2026-01-29T16:11:02 2025-11-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-14 AWB - 25 _ 6970 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Notamail 2025/281 Viditax (FutD) 2026012905 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21355 text/html public 2025-12-04T13:21:35 2025-12-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:21355 Rechtbank Den Haag , 14-11-2025 / AWB - 25 _ 6970 Bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschijding, beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/6970 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen de erven van [erflater] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: D. Harreman LL.M), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van verweerder van 1 oktober 2025. 1.1. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Toetsingskader 3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. 3.1. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen. 3.2. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. 4. Op 16 oktober 2024 heeft verweerder een herziene aangifte erfbelasting van eisers ontvangen. Omdat op dat moment al een definitieve aanslag erfbelasting was opgelegd heeft verweerder de herziene aangifte erfbelasting als bezwaar tegen de definitieve aanslag erfbelasting behandeld. Is het bezwaarschrift te laat ingediend? 5. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag erfbelasting 23 augustus 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op vrijdag 4 oktober 2024. 5.1. Het bezwaarschrift is door verweerder op 16 oktober 2024 te laat ontvangen. Is het te laat indienen verontschuldigbaar? 6. Eisers hebben de volgende reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Noch eisers noch de gemachtigde hebben het bestreden besluit ontvangen. Eisers gaan ervan uit dat het bestreden besluit evenals de motivering van dat besluit aan het kantoor van de heer [naam] , de executeur van de nalatenschap, is gestuurd. De bestreden aanslag erfbelasting is nooit aan eisers gestuurd. Eisers zijn van mening dat de heer [naam] zijn taken met betrekking tot de vertegenwoordiging van eisers richting de Belastingdienst niet naar behoren uitvoert. 6.1. Verweerder stelt dat in de aangifte erfbelasting van 23 februari 2023 is verzocht de aanslag te verzenden naar de contact persoon, de heer [naam] , notaris kantoorhoudende te Hellevoetsluis. Dat is ook door verweerder gedaan. Eisers hebben zelf geen aangifte erfbelasting ingediend. In de begeleidende brief bij de aanslag is door verweerder aan [naam] verzocht om de belanghebbenden te informeren over de aanslag. Indien [naam] dat niet heeft gedaan, komt dat voor rekening van eisers. 6.2. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Conclusie en gevolgen 7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van H.J. Hovinga, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 14 november 2025. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.