Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21235
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,042 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:21235 text/xml public 2026-03-06T12:49:44 2025-11-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-11 SGR 25/5431 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21235 text/html public 2025-11-14T14:22:01 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:21235 Rechtbank Den Haag , 11-11-2025 / SGR 25/5431 Beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen in medische zaak van het Uwv. De rechtbank bepaalt dat in dit soort zaken verweerder een termijn van zes weken wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten en dat hij vervolgens binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat een termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak recht doet aan de reële mogelijkheden van verweerder om op het bezwaar te beslissen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verweerder binnen negen weken een besluit bekend moet maken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/5431 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen Vereniging Koninklijke Bouwend Nederland, uit Zoetermeer, eiseres (gemachtigde: L. Blahowetz), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: P. Spoelstra). Inleiding 1.1. In het besluit van 22 oktober 2024 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van [naam] , (ex-)werknemer van eiseres, ongewijzigd blijft. Eiseres heeft op 28 oktober 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.2. Eiseres heeft op 20 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. 1.3. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 11 juni 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 11 juni 2025 tot het moment van het instellen van beroep zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond. 3. Het Uwv heeft op 21 augustus 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen. 4.1. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten binnen twee weken na de uitspraak een besluit bekend te maken. 4.3. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsgeneeskundige capaciteit. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. 4.5. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 4.6. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. 5. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift aangegeven dat het verwacht binnen een termijn van vier maanden een besluit op bezwaar bekend te maken. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.