Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:21175
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,457 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53677
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1983, Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Gambier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 3 november 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft eveneens op 3 november 2025 een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hier op 5 november 2025 gereageerd.
Verweerder heeft op 7 november 2025 gereageerd op de beroepsgronden.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 november 2025 gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van het opleggen en voortduren van deze maatregel van bewaring eerder beoordeeld. Uit de uitspraak van 14 oktober 2025 (in de zaak NL25.48252, ECLI:NL:RBLIM:2025:9972, niet gepubliceerd) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 7 oktober 2025), rechtmatig was. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maximale bewaringstermijn is overschreden. Hij verwijst naar de Conclusie van Advocaat-Generaal L. Medina van 4 september 2025 in de zaak C-150/24 (Aroja) . Hierin heeft de Advocaat-Generaal het Hof in overweging gegeven om alle periodes van inbewaringstelling op grond van de richtlijn 2008/115 bij elkaar op te tellen om te bepalen of de maximale termijn wordt overschreden. Eiser heeft de afgelopen jaren meerdere keren in bewaring verbleven. Bij elkaar opgeteld 489 dagen, oftewel ruim 16 maanden. Dit betekent dat eiser veel langer dan 6 maanden in vreemdelingenbewaring wordt gehouden. Verweerder heeft geen verlengingsbesluit genomen en daarom is het voortduren van de bewaring onrechtmatig.
3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
4. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond niet slaagt. Eiser heeft navraag gedaan bij de ‘ketenlijn van de IND’ en gevraagd naar de precieze duur van de voorgaande detenties. Gemachtigde van eiser heeft vernomen dat eiser inmiddels 489 dagen in bewaring is gehouden om een in 2016 vastgesteld terugkeerbesluit uit te voeren. In artikel 15 van richtlijn 2008/115 is de bewaring om de terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren geregeld. In het vijfde lid en zesde lid van deze bepaling is bepaald dat iedere lidstaat een maximale bewaringsduur vaststelt die niet meer dan zes maanden bedraagt en dat de lidstaten deze termijn ‘slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden kunnen verlengen indien de verwijdering wellicht meer tijd zal vergen omdat de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt en de nodige documentatie uit het derde land op zich laat wachten.
5. Eiser heeft gewezen op de Conclusie van AG Medina van 4 september 2025 in de zaak Aroja (C-150/24, ECLI:EU:C:2025:667). De AG adviseert het Hof onder meer om artikel 15, leden 3, 5 en 6, van richtlijn 2008/115 aldus uit te leggen dat ‘om te bepalen of de in artikel 15, leden 5 en 6, gestelde maximale bewaringsduur is bereikt, alle perioden in aanmerking moeten worden genomen gedurende welke de betrokken derdelander eerder op grond van deze bepaling is vastgehouden ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit. Indien het terugkeerbesluit van kracht blijft en de verwijderingsprocedure niet daadwerkelijk en definitief is gestaakt, rechtvaardigt een onderbreking van de bewaring niet dat de berekening van de bewaringsduur opnieuw vanaf nul begint. Dit geldt ook als de betrokken derdelander tussen perioden van bewaring in is vrijgelaten of tijdelijk het grondgebied heeft verlaten om naar een andere lidstaat te gaan;’.
6. Voor zover het Hof deze Conclusie zou volgen, heeft te gelden dat eiser thans niet langer dan 18 maanden in bewaring is gehouden ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit. De AG heeft echter ook in zijn Conclusie gewezen op de rechterlijke toetsing die vóór het begin van de verlengde periode moet plaatsvinden en dat indien dit niet geschiedt, de bewaring onrechtmatig is omdat de procedurele waarborg van een spoedige rechterlijke toetsing, zoals verankerd in artikel 15, lid 2, van richtlijn 2008/115, een essentiële voorwaarde voor de rechtmatigheid van voortgezette bewaring is. De rechtbank sluit niet uit dat het Hof de Conclusie zal volgen maar deze wel wellicht zal nuanceren door ruimte open te laten voor een hernieuwde inbewaringstelling na een zeker tijdsverloop of indien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waaruit zicht op uitzetting volgt en bij een niet meewerkende houding van de vreemdeling en/of bij een gevaar voor de openbare orde. De lidstaten zijn immers verplicht om illegaal verblijf te beëindigen en deze verplichting is niet in tijd beperkt en ook niet gekoppeld aan de maximale duur van de bewaring. De rechtbank wijst in aanvulling hierop op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:19983) voor zover de rechtbank in dit verband heeft gewezen op Décision n° 2025-1172 QPC van 16 oktober 2025 waarin de Conseil Constitutionel in Frankrijk -kort gezegd- heeft bepaald dat een hernieuwde inbewaringstelling op grond van een zelfde verwijderingsbesluit mogelijk is, maar wel is vereist dat wettelijke waarborgen bestaan om te voorkomen dat een dergelijke hernieuwde inbewaringstelling geen maximale duur kent van de totale detentie.
7. Eiser wordt sinds 6 juni 2025 in bewaring gehouden om een terugkeerbesluit dat in 2016 is vastgesteld uit te voeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser in ieder geval niet langer dan 18 maanden in bewaring is gehouden ter fine van de uitvoering van dit terugkeerbesluit. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat uit artikel 15 van richtlijn 2008/115 niet volgt dat de maatregel op grond van het zesde lid moet worden verlengd als de totale duur van bewaring ter fine van uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit een duur van zes maanden bereikt. Overigens volgt uit artikel 15, zesde lid, van richtlijn 2008/115 niet dat er een afzonderlijk verlengingsbesluit in een concrete procedure moet worden vastgesteld, maar heeft de Uniewetgever de lidstaten de mogelijkheid gegeven om de verlenging in hun nationale wetgeving te regelen. In artikel 59, zesde lid, Vw is bepaald dat in afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid, de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. Artikel 15 van richtlijn 2008/115 vereist niet dat de verlenging schriftelijk wordt gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden en gelet op de prejudiciële vragen die in de zaak Aroja zijn gesteld is ook niet zeker dat het Hof bij de uitlegging van deze bepaling hier op in zal gaan. De rechtbank zal dan ook niet op dit moment de maatregel opheffen omdat eiser voorafgaand aan de thans te toetsen maatregel ook in bewaring is gehouden en er nu geen verlengingsbesluit is genomen. De rechtbank merkt hierbij op dat overigens uit het dossier genoegzaam blijkt dat aan beide voorwaarden voor verlenging is voldaan.
8. De rechtbank heeft voorts gecontroleerd of in de in deze procedure te toetsen periode de tenuitvoerlegging van de maatregel aan de rechtmatigheidsvereisten voldoet. De rechtbank stelt vast dat verweerder nog steeds voortvarend werkt aan de voorbereiding van de verwijdering. Verweerder heeft gerappelleerd op het op 16 juni 2025 gedane verzoek om afgifte van een LP en verweerder heeft een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Meer verwijderingshandelingen kan verweerder thans niet verrichten gelet op de niet-meewerkende houding van eiser. Uit het verslag van het op 13 oktober 2025 gevoerde vertrekgesprek blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij niets heeft ondernomen en verwacht half november vrij te zullen komen. Op de mededeling van de regievoerder dat er nog geen bericht is ontvangen van het consulaat heeft eiser verklaard ‘geen bericht is goed bericht’. Verweerder is dus afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten om eiser te kunnen verwijderen. Zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt niet. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18933).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 11 november 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.