Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:20957
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,072 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52110
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025
in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De maatregel van bewaring
1. In de maatregel van bewaring stelt de minister dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister vermeldt, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De zware en lichte gronden
2. Eiser bestrijdt de lichte grond 4b.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden niet bestrijdt. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en (samen) voldoende om een risico op onttrekking aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser aanvoert over de lichte grond 4b hoeft verder niet besproken te worden, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat onvoldoende vast staat dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. Daadwerkelijke cijfers zijn niet bekend en voor eiser niet te achterhalen.
3.1.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen. De minister heeft tijdens de zitting namelijk toegelicht dat in 2025 137 aanvragen voor een laissez-passer (lp) zijn ingediend en 100 nationaliteitsbevestigingen zijn afgegeven. Er zijn 93 lp’s verstrekt en er hebben 54 uitzettingen plaatsgevonden. Deze cijfers zijn afkomstig van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Nu hieruit blijkt dat lp’s worden verstrekt en uitzettingen plaatsvinden, oordeelt de rechtbank dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt.
3.2.
Voor zover eiser stelt dat de door de minister gegeven informatie tijdens de zitting niet openbaar is gemaakt, verandert dat het oordeel niet. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de minister gegeven informatie. Eiser heeft ook niet benoemd dat en waarom zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Bovendien maakt eiser ook niet aannemelijk dat zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De minister heeft de aanvraag voor een lp op 15 augustus 2025 ingediend. De Marokkaanse autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd, maar dat betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Het traject duurt ook nog niet zo lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. Daar komt bij dat op eiser een vertrekplicht rust. Het is niet gebleken dat eiser aan die verplichting voldoet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Voortvarendheid
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Het is niet duidelijk wat de status is van de aangevraagd lp.
4.1.
De rechtbank overweegt dat eiser eerder, bij besluiten van 8 augustus 2025 en 9 oktober 2025, in bewaring is gesteld. Deze bewaringsmaatregelen zijn opgeheven omdat eiser in de tussentijd strafrechtelijke detentie moest ondergaan. De voorliggende maatregel is op 24 oktober 2025 opgelegd. De minister heeft voortvarend gehandeld door op 27 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser te voeren. De minister heeft tijdens de zitting verder toegelicht dat een antwoord van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag wordt afgewacht. Er worden vertrekgesprekken gevoerd en er wordt met regelmaat gerappelleerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel, in de vorm van een meldplicht. Eiser licht daarbij toe dat hij bij een vriend kan verblijven in Utrecht.
5.1.
Uit de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen blijkt een risico op onttrekking. De minister motiveert deugdelijk waarom een lichter middel van bewaring niet doeltreffend kon worden toegepast. De rechtbank oordeelt dat de minister daarom niet hoeft te volstaan met een lichter middel. Eisers enkele stelling dat hij bereid is zich te houden aan een meldplicht, is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219) en van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269).
Vergelijk de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).