Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:20690
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,644 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.46774
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
[V-Nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. In het besluit is overwogen dat aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de Dublinverordening1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 26 september 2025 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Op grond van artikel 5.1a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande
1. Verordening (EU) 604/2013.
aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Verweerder behandelde de asielaanvraag van eiser tot aan de opheffing in de grensprocedure. Uit het bestreden besluit blijkt dat er op basis van een nog niet gebruikt Schengenvisum voor Italië in het paspoort van eiser aanleiding was te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Dublinverordening viel (Dublin aanknopingspunten).
4. Eiser voert aan dat het van meet af aan de bedoeling van verweerder was dat er een claimverzoek bij Italië zou worden ingediend. Omdat er momenteel geen overdracht aan Italië mogelijk is, was het dus ook duidelijk dat na acceptatie van het claimverzoek door Italië, eiser in vrijheid zou worden gesteld. Gelet daarop heeft verweerder eiser ten onrechte gedetineerd en is de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 20242.
5. Verweerder heeft ter zitting erkend dat overdracht aan Italië vanuit grensdetentie momenteel niet mogelijk is. Om die reden heeft verweerder de maatregel direct opgeheven, na ontvangst van het claimakkoord op 26 september 2025. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in zaken als hier het grensbewakingsbelang nog altijd prevaleert, omdat verweerder niet vooruit kan lopen op de vraag of de Italiaanse autoriteiten het claimverzoek ook daadwerkelijk accepteren.
6. De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 mei 20193 af dat er binnen dezelfde wettelijke grondslag van artikel 6, derde lid, van de Vw sprake is van twee onderscheiden toepassingssituaties, elk met een eigen doel en motivering. In een geval zoals bij eiser, waarbij aanwijzingen bestaan dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, verblijft de vreemdeling in grensdetentie in afwachting van een mogelijke Dublinoverdracht aan Italië.
7. Omdat verweerder in dit geval bij de oplegging van de maatregel al wist dat Dublinoverdracht naar Italië structureel niet-uitvoerbaar is, ontbrak er een concreet aanknopingspunt voor overdracht. De maatregel diende niet voor het bewerkstelligen van een mogelijke Dublinoverdracht. De bevoegdheid is dan ook ingezet voor een doel dat feitelijk niet kon worden bereikt. De opgelegde maatregel had daarmee geen deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregel vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig was.
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontneming van 8 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum) = € 800,--.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,-- (1 punt voor het
2 ECLI:NL:RBDHA:2024:23152.
3 ECLI:NL:RVS:2019:1528.
indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-- en een wegingsfactor
1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2025
Documentcode: DSR55721987
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.