Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:20563
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
785 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52545
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 10 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij in het beroepsschrift aangegeven niet te verzoeken om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 november 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 30 september 2025.
4. Eiser brengt naar voren dat op grond van de voortgangsrapportage niet kan worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat ook niet kan worden gesteld dat voldoende zicht op uitzetting ontbreekt.
5. De rechtbank volgt eiser hierin. De rechtbank stelt vast dat eiser de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15892, en 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17979.