Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:20529
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,851 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.18991 (beroep)
NL23.1997 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P. le Heux),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘familie- en gezinsleven met [naam 1] ’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de afwijzing van eisers aanvraag. Ook beoordeelt de rechtbank of de redelijke termijn is overschreden. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staan de van belang zijnde omstandigheden en het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staat het bestreden besluit. De beoordeling van de gronden volgt vanaf 5. Aan het einde staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Achtergrond en procesverloop
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In 2019 en in 2022 heeft eiser aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvragen hebben niet geleid tot de verlening van een verblijfsvergunning.
2.1.
Eiser heeft in Nederland een relatie met [naam 2] . Samen hebben zij twee kinderen, [naam 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2017, ten tijde van de uitspraak 8 jaar oud) en [naam 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2022, ten tijde van de uitspraak drie jaar oud). [naam 2] heeft daarnaast een zoon uit een vorige relatie, [naam 4] (geboren in 2021, ten tijde van de uitspraak drie of vier jaar oud). Eiser heeft ook in Nigeria een kind, [naam 5] (geboren op [geboortedatum 4] 2011, ten tijde van de uitspraak 14 jaar oud).
2.2.
Eiser heeft op 25 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘familie- en gezinsleven met [naam 1] ’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 april 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
Eiser is wegens betalingsonmacht voorlopig vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld gezamenlijk met de zaken met de nummers NL24.49674 en NL24.49677, in welke zaken op dezelfde dag uitspraak wordt gedaan. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Griffierecht
3. Eiser heeft een onderbouwd verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat eiser in deze procedure is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet over een machtiging tot voorlopig verblijf beschikt (mvv). De minister heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat eiser ook niet op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor vrijstelling van de verplichting om over een mvv te beschikken. De minister heeft gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen eiser, [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] , maar niet tussen eiser en [naam 4] . De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Eiser was namelijk tussen 2019 en 2022 niet structureel in Nederland en heeft zich pas in december 2022 weer vast in Nederland gevestigd. Daarvoor was [naam 2] de primaire verzorger van de kinderen. Eiser is dus nog niet lang betrokken bij het gezin, wat de minister in zijn nadeel heeft meegewogen. Eiser is daarnaast zijn familieleven gaan uitoefenen zonder dat hij rechtmatig verblijf had in Nederland. Ook dit heeft de minister in zijn nadeel meegewogen. Verder is eiser geboren en getogen in Nigeria. Hij heeft het grootste deel van zijn leven daar gewoond, spreekt de taal en is bekend met de omgangsvormen daar. Bovendien heeft hij nog familieleden in Nigeria. Er kan volgens de minister dus van hem verwacht worden dat hij daar weer een leven kan opbouwen. Er is verder niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familieleven in Nigeria uit te oefenen. [naam 2] kan ervoor kiezen om eiser met de kinderen te volgen naar Nigeria. Eisers stelling dat [naam 2] in Nederland onder medische behandeling staat heeft hij niet met (recente) stukken onderbouwd. Tot slot heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat in het dossier van [naam 1] een verklaring zit van een medewerker van het [naam 6] van 6 december 2021. Hierin wordt verklaard dat de vader van [naam 1] , eiser, niet in beeld is. Dit is tegenstrijdig met de door eiser overgelegde verklaring van 13 november 2022 van dezelfde medewerker waarin zij verklaart dat zij eiser al sinds februari 2021 kent.
Procedurele gronden
5. Eiser voert ten eerste aan dat het vereiste om in het buitenland in te burgeren – dat onder artikel 16, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, is gekoppeld aan vrijstelling van het mvv-vereiste – een vorm is van ongeoorloofde selectie op nationaliteit. Er is geen rechtmatige reden dat burgers van bepaalde landen buiten de Europese Unie alleen op grond van hun nationaliteit zijn uitgezonderd van het mvv-vereiste en eiser niet.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het inburgeringsvereiste in deze zaak niet als afwijzingsgrond aan eiser is tegengeworpen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet welke rol artikel 16, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, speelt in de onderhavige zaak. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert ten tweede aan dat het niet in overeenstemming met het recht van de Europese Unie is om het mvv-vereiste tegen te werpen in gevallen waarin vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor verblijf is voldaan. Eiser wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2019.
6.1.
De rechtbank overweegt dat niet vaststaat dat eiser aan de materiële voorwaarden voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning voldoet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat dit niet het geval is. Eisers beroep op de Afdelingsuitspraak van 23 maart 2019 slaagt daarom niet.
Materiële gronden
7. Eiser voert ten derde aan dat de minister in het bestreden besluit van de verkeerde feiten is uitgegaan. De minister neemt namelijk ten onrechte aan dat hij zich pas in december 2022 in Nederland heeft gevestigd bij zijn gezin. Eiser woont sinds al 2019 in Nederland. De relatie met [naam 2] is in het verleden enige tijd verbroken geweest, maar sinds 2020 zijn zij weer samen. Sinds 2021 woont eiser weer onafgebroken samen met zijn gezin. Tussen 2016 en 2018 ging eiser soms op en neer tussen Nederland en Italië, maar dat was alleen voor formaliteiten omtrent zijn asielaanvraag daar.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft tijdens het gehoor in bezwaar van 11 maart 2024 verklaard dat hij in de periode van 2019 tot 2022 pendelde tussen Italië en Nederland. Eiser heeft dit daarna opnieuw verklaard tijdens een gehoor op 14 november 2024 (in het kader van eisers aanvraag voor toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez). Tijdens dat gehoor verklaarde eiser dat hij sinds december 2022 weer vast in Nederland verblijft. Eiser heeft bovendien tijdens zijn tweede asielprocedure in 2022 verklaard dat hij tussen 2020 en 2022 in Italië bij een vriend verbleef. Gelet op de consistentie van deze verklaringen door de tijd heen, volgt de rechtbank de andere tijdlijn die eiser voor het eerst in beroep schetst niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor het eerst vanaf december 2022 in Nederland verblijft bij zijn gezin. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser voert ten slotte aan dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Eiser en [naam 2] zorgen samen voor de drie kinderen. Het gezin kan geen dag zonder eiser functioneren. De medische problematiek van [naam 2] maakt het namelijk onmogelijk voor haar om alleen voor de kinderen te zorgen terwijl eiser een mvv gaat ophalen. Als het de minister niet duidelijk was hoe erg de medische situatie van [naam 2] is, dan had hij hier meer onderzoek naar moeten doen.
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft ter onderbouwing van de medische problemen van [naam 2] een verklaring overgelegd van een psycholoog van 28 november 2022, waaruit volgt dat [naam 2] op dat moment onder psychologische behandeling stond. Deze verklaring dateert van ruim tweeëneenhalf jaar geleden. Eiser heeft daarmee niet onderbouwd dat hij [naam 2] ten tijde van het bestreden besluit of op dit moment vanwege medische problematiek niet alleen kan laten met de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiser nog maar kort samenwoont met zijn gezin en zijn gezinsleven met hen is aangegaan in een periode dat hij geen rechtmatig verblijf had. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
8.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden en of eiser recht heeft op een schadevergoeding.
8.2.
Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar een redelijke termijn is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.
8.3.
Sinds de dag dat de minister het bezwaarschrift van eiser op 20 januari 2023 heeft ontvangen tot aan de dagtekening van deze uitspraak zijn twee jaren en acht maanden verstreken. De redelijke termijn is daarmee met acht maanden overschreden.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft.
10. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
11. Eiser heeft recht op een vergoeding van zijn proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt de hoogte van deze proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde van 907,- een wegingsfactor 0,25). De rechtbank acht een wegingsfactor van 0,25 in dit geval passend, omdat de proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank dusdanig gering dat dit een wegingsfactor 0,25 rechtvaardigt. Omdat de overschrijding aan de minister is toe te rekenen, komt deze vergoeding voor rekening van de minister.
Dictum
De rechtbank, in de zaak NL24.18991:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister een schadevergoeding aan eiser moet betalen van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 226,75.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL23.1997:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
De precieze geboortedatum van [naam 4] is niet bekend bij de rechtbank.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2019:1001.
Over deze aanvraag loopt ook een beroepsprocedure bij deze rechtbank en zittingsplaats (zaaknummer NL24.49674). De rechtbank heeft – gelijktijdig met deze uitspraak – uitspraak gedaan op dat beroep.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.