Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:20079
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,600 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37714
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Douma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het beroep van eiser gaat over het besluit van de minister om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Tsjechië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 april 2025 in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Tsjechië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Het bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin staat dat op grond van de Dublinverordening de minister een asielaanvraag niet in behandeling neemt als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat de autoriteiten van Tsjechië aan eiser op 24 februari 2025 een (Schengen)visum hebben verleend met een geldigheidsduur van 16 maart 2025 tot 6 april 2025. Het visum was minder dan zes maanden verlopen ten tijde van eisers asielaanvraag in Nederland. De minister heeft daarom op 16 juni 2025 de autoriteiten van Tsjechië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Tsjechië heeft dit verzoek op 17 juli 2025 aanvaard.
3.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens de minister geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Mag de minister voor Tsjechië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister voor Tsjechië ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiertoe voert hij aan dat in Tsjechië problemen bestaan met de instabiliteit van huisvesting, beperkte toegang tot de arbeidsmarkt en gezondheidszorg, discriminatie op basis van seksuele geaardheid of uiterlijk, en psychische zorg die vaak onbereikbaar is voor kwetsbare groepen zoals vluchtelingen en staatlozen. Hij wijst daartoe op het Participatory Assessments Report 2024 UNHCR Czechia. Eiser vreest dat hij in Tsjechië geen stabiele huisvesting zal kunnen vinden, financieel niet zelfstandig kan worden, geen toegang zal krijgen tot noodzakelijke gezondheidszorg en bovendien als homoseksueel blootstaat aan discriminatie en vijandigheid. Hij acht het voor hem in de praktijk onmogelijk om hierover bij de Tsjechische autoriteiten te klagen, omdat hij de taal niet spreekt, de procedures niet kent en geen middelen heeft om juridische bijstand te bekostigen. Daarmee meent eiser voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, waardoor bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat homoseksuelen in Tsjechië worden gediscrimineerd op 10 september 2025 nog een aantal ‘internetartikelen’ overgelegd en ook een brief van hemzelf.
4.1.
De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de minister er in het algemeen van mag uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als er concrete aanknopingspunten zijn dat het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval de vreemdelingen aannemelijk maken dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Tsjechië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en ervan mag uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser heeft met de verwijzing naar het Participatory Assessments Report 2024 UNHCR Czechia geen objectieve aanknopingspunten geleverd dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Hoewel in dit rapport verschillende knelpunten worden genoemd met betrekking tot huisvesting, toegang tot werk, gezondheidszorg en incidenten van vijandigheid, volgt hieruit niet dat Tsjechië structureel tekortschiet in het nakomen van zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers. Het gaat om uitdagingen en verbeterpunten die ook in andere lidstaten voorkomen en die niet van zodanige aard zijn dat er in het geval van eiser sprake is van systeemfouten die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken zoals die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie onder 4.1).
4.3.
De door eiser op 10 september 2025 overgelegde brief en ‘internetartikelen’, waaruit volgens eiser zou blijken dat homoseksuelen in Tsjechië worden gediscrimineerd, geen recht hebben om te trouwen of kinderen te adopteren, en dat politieke uitspraken zijn gedaan die stigmatiserend zijn voor LHBTI-personen, leiden niet tot een ander oordeel. De door eiser aangevoerde omstandigheden maken niet dat aannemelijk is dat eiser bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit de door de minister aangehaalde passages van hetzelfde rapport blijkt dat vluchtelingen met diverse seksuele oriëntaties en genderidentiteiten zich veiliger voelen in Tsjechië dan in hun land van herkomst, en dat gespecialiseerde programma’s en ondersteuning aanwezig zijn. Ook de door eiser gestelde niet onderbouwde psychische klachten en zijn beperkte taalvaardigheid maken leiden niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat eiser in Tsjechië geen toegang zou hebben tot noodzakelijke medische zorg of juridische bijstand. Evenmin is gebleken dat hij als homoseksuele asielzoeker in Tsjechië op systematische wijze het risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aan eiser een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk wegens mensenhandel moeten verlenen?
5. Eiser betoogt dat de Dublinverordening niet van toepassing is, omdat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk. Eiser is door een man genaamd James naar Nederland gehaald. In Nederland moest hij onder dwang dingen doen die hij niet wilde. Eiser wist uiteindelijk te ontsnappen en heeft bij de politie aangifte gedaan van mensenhandel. Hij is bereid mee te werken aan de opsporing en vervolging van de daders en komt om die reden in aanmerking voor een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL25.37715.
Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.
ABRvS 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4361.