Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:19793
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,689 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48975
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. R. van Dooren en mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Met het besluit van 15 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en mr. C.H.H.P.M. Kelderman als gemachtigde van verweerder.
Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen.
De rechtbank heeft het onderzoek, gelet op artikel 6:19 van de Awb, heropend en daarbij eiser in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken op het besluit van 7 augustus 2025 te reageren. Eiser heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De rechtbank heeft het onderzoek op 30 september 2025 gesloten.
Beoordeling
Asielrelaas
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 22 juli 2022 asiel aangevraagd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft gehad, omdat hij niet in de islam gelooft en dit ook niet praktiseert. Verder heeft hij problemen met de stam Shweelat, vanwege een moordincident in relatie tot zijn familie. Verder heeft zijn familie problemen ondervonden met milities, omdat zijn ooms bij de veiligheidsorganisatie hebben gewerkt. Tot slot vreest eiser te worden gezocht, vanwege zijn deelname aan protesten tegen het regime.Bestreden besluit
2. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen vanwege het werk van zijn ooms wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft niet onderbouwd dat één van de ooms daadwerkelijk een officier was in het Ba’ath regime of dat hij vanwege zijn lidmaatschap is vermoord. Verder waren de aanslagen, die in 2003 en 2007 hebben plaatsgevonden, niet op eiser persoonlijk gericht en eiser is tot 2017 in Irak gebleven. In die periode is hem niets aangedaan door de milities. Uit de overlijdensakte van de neef blijkt bovendien niet dat eiser persoonlijk wordt gezocht. Eiser heeft daarnaast niets verklaard over het promoten van de Ba’ath-partij. De verwijzing naar het EUAA country of origine-rapport, van mei 2024 (hierna: het EUAA rapport), treft daarom geen doel. Daarnaast is niet gebleken dat eiser een groot bereik heeft op sociale media en hij deelt met name berichten van anderen.
3. De problemen met de stam Shweelat en de problemen vanwege het niet geloven in de islam en de deelname aan protesten heeft verweerder wel geloofwaardig geacht, maar eiser heeft zijn vrees vanwege deze problemen niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de problemen vanwege het niet geloven in de islam zo ernstig zijn dat hij hierdoor te vrezen heeft voor zijn leven of dat het uitdragen van zijn afvalligheid behoort tot zijn religieuze identiteit en dat eiser zich niet kan conformeren aan de islamitische regels. Ten aanzien van de problemen met de Shweelat-stam is overwogen dat de beschieting in 2021 pas in de zienswijze naar voren is gebracht. Verder is het causale verband tussen de littekens en de aanslag niet aannemelijk gemaakt en ook niet dat dit de aanleiding zou zijn geweest voor de verhuizing van eisers vader. Daarbij komt dat het conflict met deze stam al sinds 2003 gaande is en eiser zich een lange periode staande heeft weten te houden. Verder heeft eiser verklaard geen problemen te hebben ondervonden vanwege zijn deelname aan de demonstraties, ook niet na de waarschuwingen, en eiser heeft Irak legaal en zonder problemen kunnen verlaten. Eiser heeft hierbij niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten of milities in Irak op de hoogte zijn van eisers berichten op sociale media en niet valt in te zien waarom hij bij terugkeer weer actief zou worden op sociale media, terwijl hij hier in 2016 mee was gestopt. Bovendien heeft eiser niet concreet verklaard over welke politieke activiteiten hij bij terugkeer zou willen uitvoeren. Hij heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging. Tot slot is in Irak geen sprake van een situatie van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands of internationaal gewapend conflict en het beroep van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn leidt daarom niet tot het oordeel dat eiser op grond van de algemene situatie het risico loopt op ernstige schade.
Standpunt van eiser
4. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert het volgende aan. Allereerst heeft verweerder de zienswijze onvoldoende weerlegd. Verder blijkt uit de documenten waarvan nog een vertaling zal worden overgelegd, dat zijn oom is vermoord, vermoedelijk vanwege zijn lidmaatschap van de Ba’ath-partij. Eisers familie is in 2021 nog bedreigd en een van zijn ooms is beschoten. De eerdere incidenten zeggen iets ook over het risico voor eiser zelf. Uit de algemene informatie blijkt dat iemand die betrokken is bij de Ba’ath-partij nog steeds risico loopt en zijn familie ondersteunt nog de seculiere en socialistische waarden van de partij. Ter zitting heeft eiser nogmaals verwezen naar het EUAA-rapport. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat er onvoldoende is gemotiveerd waarom niet meer waarde wordt gehecht aan zijn berichten op sociale media over milities, ontvoering door en demonstraties tegen de milities en de Iraanse invloed. Zijn sociale media is openbaar. Ten aanzien van het niet geloven in de islam stelt eiser dat zijn levensstijl in Irak onacceptabel is en dat de milities hem via zijn vader hebben aangesproken op zijn gedrag. Hierbij is de invloed van Iran groter geworden in Irak, waardoor afwijkend gedrag nog minder wordt getolereerd. Verweerder miskent bovendien de samenhang tussen de problemen. Daarnaast voert eiser aan dat de beschieting vanwege het stammenconflict niet eerder naar voren is gebracht, omdat eiser slechts antwoord heeft gegeven op de gestelde vragen. Ook stelt eiser dat de legale uitreis geen invloed heeft op zijn problemen met de milities. De centrale overheid vervolgt eiser niet en heeft hem dus laten uitreizen. Tot slot is verweerder niet ingegaan op de glijdende schaal zoals volgt uit artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft medegedeeld dat hij niet langer wordt tegengeworpen dat eiser Irak legaal is uitgereisd.
Problemen vanwege de werkzaamheden van de ooms van eiser.
6. Verweerder heeft niet ten onrechte de problemen vanwege de werkzaamheden van eisers ooms niet geloofwaardig geacht. Hierbij is van belang dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat de vertaling van de documenten inmiddels beschikbaar is, maar dat in de documenten niet vermeld staat waarom zijn oom en neef zijn neergeschoten. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat uit de foto niet blijkt dat de man op de foto zijn oom is of dat hij daadwerkelijk een officier is geweest in het Ba’ath-regime. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de dood van zijn oom en diens lidmaatschap bij de Ba’ath-partij. Ook werpt verweerder niet ten onrechte tegen dat de aanslagen niet op eiser persoonlijk gericht waren en dat eiser na de aanslagen in 2003 en 2007 nog lange tijd in Irak heeft verbleven, zonder dat hij problemen heeft gehad met de milities. Uit de overlijdensakte van de neef volgt bovendien niet dat eiser zelf gezocht wordt of te vrezen heeft. Verweerder heeft bovendien voldoende gemotiveerd waarom de verwijzing naar het EUAA-rapport niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging, nu eiser niet gesteld dat hijzelf betrokken is bij de Ba’ath-partij of dat hijzelf de partij promoot.
Problemen vanwege het niet geloven in de islam
7. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen vanwege het niet geloven in de islam. Hierbij is allereerst van belang dat eiser heeft verklaard dat hij geen ernstige problemen heeft ondervonden, maar dat hij alleen ruzie kreeg met strenggelovige mensen en werd aangesproken op zijn gedrag. Eiser heeft daarnaast niet onderbouwd dat afwijkend gedrag nog minder wordt getolereerd, vanwege de invloed van Iran. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet heeft gemotiveerd dat het uiten van zijn afvalligheid behoort tot zijn religieuze identiteit en dat van eiser kan worden verwacht dat hij zich bij terugkeer (opnieuw) kan conformeren aan de islamitische regels.
Problemen met de Shweelat-stam
8.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene wet bestuursrecht.
Richtlijn 2011/95/EU.
Nader gehoor, pagina 15 en 22.