Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:19783
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,846 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22056
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 mei 2025 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting te Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Het asielrelaas
1. Eiser is geboren op [datum] 1998 en heeft de Haïtiaanse nationaliteit. Eiser heeft op 23 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet kan terugkeren naar Haïti, omdat hij geweigerd heeft zich aan te sluiten bij een bende in dat land. Hij is daarom door deze bende bedreigd en mishandeld. Na het vertrek van eiser uit zijn land van herkomst is zijn woning in brand gestoken en heeft hij nog bedreigingen ontvangen van de bende. Ook zijn twee neven van eiser vermoord. Eiser heeft na zijn vlucht uit Haïti in verschillende landen verbleven, waaronder Zuid-Korea.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser krijgt geen asielvergunning omdat Zuid-Korea voor hem als veilig derde land wordt beschouwd. Eiser heeft namelijk twee jaar gewoond en gewerkt in Zuid-Korea en hij was in het bezit van een werkvisum en een verblijfsvergunning die geldig was tot en met 28 april 2024. Verweerder acht daarom de band van eiser met Zuid-Korea zodanig, dat het redelijk wordt geacht voor eiser om naar dat land toe te gaan. Eiser is er niet in geslaagd om aan te tonen dat hij niet opnieuw wordt toegelaten tot Zuid-Korea. Verweerder heeft verder aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
De beroepsgronden
4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Eiser stelt dat zijn band met Zuid-Korea er enkel uit bestaat dat hij daar gewerkt en gewoond heeft. Het ligt primair op de weg van verweerder om aan te tonen dat eiser opnieuw tot Zuid-Korea zal worden toegelaten. Verweerder baseert zich daarbij onder meer op het IB 2020/165. Echter de bronnen in dat bericht dateren van meer dan vier jaar geleden. Verweerder motiveert onvoldoende waarom nog van de rechtsgeldigheid van die bronnen uitgegaan kan worden. Eiser meent dat hij voldoende heeft onderbouwd dat hij niet opnieuw zal worden toegelaten tot Zuid-Korea. Hij had namelijk niet de mogelijkheid om zijn eerdere verblijfsvergunning in Zuid-Korea te verlengen en het verkrijgen van een visum is aan voorwaarden verbonden. Tot slot werpt verweerder ten onrechte aan eiser tegen dat sprake is van een risico op onderduiken, op grond waarvan het terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiser zijn opgelegd. Eiser wist namelijk niet dat hij de sticker van het visum voor Zuid-Korea niet uit zijn paspoort mocht halen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Veilig derde land
5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. Voor het tegenwerpen van een veilig derde land moet verweerder eerst beoordelen of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem of haar redelijk is om daar naartoe te gaan.
Daarna moet verweerder beoordelen of aannemelijk is dat de vreemdeling in beginsel tot dit land wordt toegelaten. Dit moet hij doen aan de hand van informatie uit algemene bronnen of op basis van verklaringen van de vreemdeling. Vervolgens is het aan de vreemdeling om met tegenbewijs te komen waaruit blijkt dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dit land, voor de vreemdeling niet aanwezig zijn. Dit heeft de Afdeling aangevuld met het vereiste dat de vreemdeling inspanningen moet verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten, tenzij van hem of haar niet kan worden verlangd dat hij of zij opnieuw probeert toegang en verblijf in dat land te krijgen.Tot slot moet verweerder beoordelen of de vreemdeling in dit derde land volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zal worden behandeld.
6. Niet in geschil is dat Zuid-Korea een veilig land is voor eiser. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat evenmin in geschil is dat hij een band heeft met Zuid-Korea. Enkel in geschil is of eiser opnieuw zal worden toegelaten tot Zuid-Korea.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zal worden toegelaten tot Zuid-Korea. Verweerder heeft dat in het geval van eiser mogen baseren op het feit dat eiser in Zuid-Korea een verblijfsvergunning heeft gehad en hij heeft verklaard niet te weten of die eventueel verlengd had kunnen worden. Het toelatingsvereiste voor veilige derde landen behelst niet dat op voorhand moet vaststaan dat eiser tot het derde land zal worden toegelaten. Verweerder heeft zich verder, anders dan eiser stelt, kunnen baseren op het informatiebericht IB 2020/165. Dat het informatiebericht is opgesteld in 2020 maakt nog niet dat niet langer van de inhoud kan worden uitgegaan. Eiser heeft geen informatie overgelegd die de informatie uit dit bericht weerlegt. De beroepsgrond van eiser dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zal worden toegelaten tot Zuid-Korea slaagt dus niet.
8. Het is vervolgens aan eiser om te onderbouwen dat hij desondanks geen toegang zal krijgen tot Zuid-Korea. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Zo heeft eiser niet met concrete stukken aannemelijk gemaakt dat hij zijn eerdere verblijfsvergunning in Zuid-Korea niet had kunnen verlengen of opnieuw daarvoor in aanmerking kan komen. Met het ongedateerde bericht van de immigratiediensten van Zuid-Korea, waaruit volgt dat eisers digitale aanvraag om een visum is afgewezen, heeft hij evenmin aangetoond dat hij niet opnieuw tot Zuid-Korea zal worden toegelaten. Zo valt uit het bericht niet af te leiden wat voor visum eiser heeft aangevraagd en welke stukken hij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wél volgt uit het afwijzingsbericht dat eiser door de Zuid-Koreaanse autoriteiten verzocht wordt om een aanvraag in te dienen bij de ambassade of het consulaat van Zuid-Korea. Uit dit bericht valt derhalve niet af te leiden dat eiser niet opnieuw zal worden toegelaten tot Zuid-Korea. Daarnaast is niet gebleken dat eiser in Zuid-Korea geen asielaanvraag zou kunnen indienen, zoals hij hier in Nederland heeft gedaan. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat zij twee keer de UNHCR in Zuid-Korea heeft aangeschreven, met de vraag of eiser in aanmerking komt voor verblijfsrecht op grond van het Vluchtelingenverdrag. Echter, zij heeft geen reactie op haar brieven gekregen. Eiser heeft het voorgaande op geen enkele wijze onderbouwd. Zo heeft eiser de brieven niet aan het digitale dossier toegevoegd. Bovendien volgt daaruit niet dat eiser in Zuid-Korea niet in aanmerking zou kunnen komen voor internationale bescherming.
9. Eiser heeft ter zitting een beroep gedaan op een uitspraak van de Afdeling van 11 september 2025. In die uitspraak is door de vreemdeling aangevoerd dat zijn Kameroense paspoort is verlopen en dat hij zich niet kan wenden tot de Kameroense ambassade voor het aanvragen van een nieuw paspoort, omdat hij vreest voor vervolging door de Kameroense autoriteiten. In het geval van eiser is zijn authentiek bevonden Haïtiaanse paspoort ingenomen door de Nederlandse autoriteiten, omdat eiser de visumsticker voor Zuid-Korea uit dat paspoort heeft verwijderd. Eiser stelt dat niet van hem kan worden verlangd dat hij een nieuw paspoort aanvraagt bij de autoriteiten van zijn land van herkomst. Zonder paspoort heeft hij geen toegang tot Zuid-Korea. De rechtbank is het met verweerder eens dat niet is gebleken dat eiser het paspoort niet terug kan krijgen. Eiser heeft geen aantoonbare poging gedaan om bijvoorbeeld in overleg met de DT&V een visum of aanvraag voor een verblijfsvergunning te regelen met het inbeslaggenomen paspoort. Eisers verzoek ter zitting om aanhouding van het beroep om contact op te nemen met de DT&V, om deze stappen te doorlopen, heeft de rechtbank ter zitting niet gehonoreerd.
Conclusie
12. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
IB 2020/165 Beoordeling veilig derde land – Zuid Korea.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie in dit kader de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3380, van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2255, van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:128, van 2 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:421, 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480 en van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4358.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie in dit kader het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:838.
United Nations Human Rights Council.
ECLI:NL:RVS:2025:4358.
Dienst Terugkeer & Vertrek.
Op grond van artikel 62, tweede lid, onder a van de Vw en artikelen 6.1 en 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw juncto artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw.