Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:1971
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,919 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4619
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 11 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 december 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten van eiser
5. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 14 oktober 2024 een lp-aanvraag is ingediend bij zowel de Libische als de Algerijnse autoriteiten, maar dat hier nog geen reactie op is gegeven. Nu dit dermate lang duurt, kan geen zicht op uitzetting meer worden aangenomen. Eiser wil bovendien meewerken, maar kan zelf geen identificeerbare documenten verkrijgen, aangezien zijn koffer met onder andere een schoolcertificaat en medische verklaring tijdens de uitzettingspoging naar Marokko achtergebleven is. Eiser stelt verder dat, nu hij bereid is mee te werken, artikel 56, tweede lid, van de Vw in dit verband van toepassing is en dat de bewaring ook al om die reden opgeheven zou moeten worden.
5.1.
Daarnaast voert eiser aan dat de minister niet voortvarend handelt. De DT&V heeft namelijk na de zitting van het eerste beroep op 27 december 2024 niet meer met hem gesproken.
5.2.
Verder voert eiser aan dat met een lichter middel kan worden volstaan. De bewaring valt hem zwaar, omdat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling al tien maanden in strafrechtelijke detentie heeft verbleven. Eiser is bovendien bereid zich aan een meldplicht te houden.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije in ieder geval bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Dat de Algerijnse autoriteiten na minder dan vier maanden nog geen reactie hebben gegeven op de lp-aanvraag, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat er geen zicht meer op uitzetting naar Algerije bestaat. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Gelet op het voorgaande laat de rechtbank in het midden of er in het algemeen zicht op uitzetting naar Libië bestaat.
6.1.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 16 januari 2025 en op 6 februari 2025 is gerappelleerd op de lp-aanvraag bij zowel Libië als Algerije. Daarnaast is op 9 januari 2025 en 5 februari 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Deze gang van zaken vindt de rechtbank voldoende voortvarend.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling dat de bewaring eiser zwaar valt, leidt niet tot het oordeel dat de minister om die reden met een lichter middel had moeten volstaan of tot het oordeel dat de vreemdelingenbewaring om die reden niet gerechtvaardigd is. De stelling van eiser dat hij zich aan een meldplicht wil houden, is hiervoor ook onvoldoende.
6.3.
Voor zover eiser zijn betoog ook ziet op de belangenafweging, oordeelt de rechtbank dat de minister, gelet op de duur van de bewaring, nog niet is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De rechtbank is ook geen feiten en omstandigheden gebleken die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.
6.4.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroep op artikel 56, tweede lid, van de Vw, omdat het in deze zaak gaat om een vrijheidsbenemende maatregel en geen vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 56 Vw.
6.5.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 3 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:54.
Laissez-passer.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842.