Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:19456
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,657 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:19456 text/xml public 2026-03-24T16:43:49 2025-10-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-10-09 AWB - 25 _ 1782 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026022504 FutD 2026-0371 NDFR Nieuws 2026/376 NTFR 2026/535 met annotatie van mr. S.B. Noten http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19456 text/html public 2026-02-23T15:35:11 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:19456 Rechtbank Den Haag , 09-10-2025 / AWB - 25 _ 1782 aanslag toeristenbelasting - Geen toekenning proceskostenvergoeding in bezwaar aangezien de aanslag niet verminderd is vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Indien eiser een juiste aangifte had ingediend, was de aanslag conform de aangifte vastgesteld. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 25/1782 en SGR 25/1786 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser (gemachtigde: [gemachtigde]), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraken van verweerder van 22 januari 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aanslagen toeristenbelasting 2023 en 2024. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], [naam 2] LLB en [naam 3] BAA. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen 1. Aan eiser zijn aanslagen toeristenbelasting over de jaren 2023 en 2024 ambtshalve opgelegd, omdat geen aangiften toeristenbelasting waren ingediend. 2. Bij de uitspraak op bezwaar van 22 januari 2025 zijn de aanslagen 2023 en 2024 uit coulance verminderd tot het bedrag dat correspondeert met 39 respectievelijk 29 overnachtingen. De aanslagen 2023 en 2024 welke beide € 1.809,50 bedroegen, zijn verminderd met € 1.673,00 respectievelijk € 1.708,00 tot € 136,50 respectievelijk € 101,50. Aan eiser is geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat er geen sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15 Awb. 3. In geschil is of aan eiser ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend en of eiser ten onrechte niet is gehoord. 4. Artikel 7:15, lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), luidt als volgt: “2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.” 5. Nu de aanslagen ambtshalve zijn vastgesteld vanwege het niet doen van aangiften toeristenbelasting door eiser, zijn de aanslagen enkel verminderd omdat eiser pas naderhand informatie heeft verstrekt op basis waarvan de aanslagen zijn verminderd, en is derhalve geen sprake van een herroeping van een besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Indien eiser juiste aangiften had ingediend, waren de aanslagen conform de aangiften vastgesteld. Nu de verlaging van de aanslagen slechts te wijten is aan eiser zelf, komt eiser niet in aanmerking voor een proceskostenvergoeding in de zin van artikel 7:15 Awb. 6. De stelling van eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord door verweerder, volgt de rechtbank niet, aangezien op grond van artikel 7:3, onderdeel e van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verweerder mocht afzien van horen aangezien hij volledig aan het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen. Dat verweerder eiser niet hoefde te horen in het kader van het niet toekennen van een proceskostenvergoeding volgt tevens uit het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019 , waarin zij in r.o. 2.4 het volgende overweegt: “Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.” 7. De stelling van eiser ter zitting dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd door verweerder waaronder de aangiften toeristenbelasting, treft geen doel, aangezien eiser zelf beschikt over de ingediende aangiften toeristenbelasting. 8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). ECLI:NL:HR:2019:1619