Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:19430
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,998 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.38400 (beroep) NL25.38401 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: N.F. van der Gouw).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 17 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op 25 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen S. Atmar.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007. Eiser heeft verklaard dat hij is mishandeld door zijn stiefvader. Eiser heeft zijn land verlaten, omdat zijn stiefvader hem na de zware mishandeling nog steeds wilde vermoorden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);
mishandelingen door eisers stiefvader (ook wel het tweede asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook vindt verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig. Verweerder vindt bovendien het tweede asielmotief niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is eiser van mening dat verweerder ten onrechte uitgaat van eisers meerderjarigheid en zijn geboortedatum heeft aangepast naar [geboortedatum 2] 2005. Eiser stelt dat de conclusies van de leeftijdsschouwen van verweerder en AVIM niet deugen, aangezien er geen verbinding is gelegd tussen de observaties die van eiser zijn gemaakt en de conclusies over zijn leeftijd. Dit is niet in lijn met een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 20 augustus 2025. Ook is eiser van mening dat zijn geboortedatum ten onrechte is aangepast naar [geboortedatum 2] 2005. Uit een uitspraak van zittingsplaats Middelburg volgt dat een geboorteakte niet wordt aangemerkt als identificerend document, zodat de niet echt bevonden geboorteakte hem niet kan worden aangerekend. Ook is volgens eiser ten onrechte de verklaring van het ziekenhuis in Gambia niet betrokken bij de beoordeling van zijn leeftijd. Tot slot heeft eiser medische stukken en een verslag van de Stichting Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers Humanitas (SAMAH) overgelegd. Zij hebben onderzoek gedaan naar de achtergronden bij eisers asielrelaas.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank oordeelt dat verweerder de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.
Mocht verweerder eiser aanmerken als meerderjarige?
6. Wanneer een vreemdeling stelt minderjarig te zijn en dit niet kan onderbouwen met identificerende documenten, wordt de vreemdeling geschouwd. Bij een schouw beoordelen de AVIM en verweerder of de vreemdeling evident minderjarig of evident meerderjarig is, of dat hier twijfel over bestaat. Wanneer er zowel bij de AVIM als bij verweerder sprake is van twijfel of wanneer de conclusies niet overeenkomen dan doet verweerder nader onderzoek. Als de vreemdeling een Eurodac-hit heeft in een andere lidstaat kan verweerder bij deze lidstaat navragen met welke geboortedatum hij of zij daar geregistreerd staat. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op de leeftijdsbepaling van vreemdelingen. Dit betekent dat verweerder in beginsel niet mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Verweerder zal moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent. Ook zal verweerder alle feiten en omstandigheden moeten betrekken bij de leeftijdsbepaling. Bij een gestelde minderjarigheid moet worden uitgegaan van het vermoeden van minderjarigheid. Het is aan verweerder om het vermoeden van minderjarigheid te weerleggen.
6.1.
Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2007 en minderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland. Nu hij geen identificerende documenten heeft overgelegd, is hij bij zijn aanmelding geschouwd door de AVIM en verweerder. De schouwers van de AVIM hebben unaniem geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Verweerder heeft na de schouw tijdens het aanmeldgehoor geconcludeerd dat er sprake is van twijfel over eisers opgegeven leeftijd.
6.2.
De rechtbank volgt eisers betoog dat beide leeftijdsschouwen niet in lijn zijn met de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, nu de observaties niet zijn verbonden met de conclusies die uit die observaties worden getrokken. Om die reden heeft verweerder de schouwen niet mogen betrekken ter onderbouwing van zijn stelling dat twijfel bestaat over eisers minderjarigheid.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder desondanks van eisers meerderjarigheid heeft kunnen uitgaan. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
6.4.
Verweerder is nagegaan bij de Italiaanse autoriteiten met welke geboortedatum eiser daar geregistreerd staat. Uit de informatie van Italië blijkt dat eiser daar geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 1] 20006. Dit is niet de datum die eiser in Nederland heeft opgegeven. Uit de informatie van Italië blijkt dat de geboortedatum op basis van eisers eigen verklaringen is geregistreerd en hier geen identificerende documenten of leeftijdsonderzoek aan ten grondslag liggen.
6.5.
Ter onderbouwing van de door hem in Nederland opgegeven geboortedatum heeft eiser een geboorteakte overgelegd, waarvan Bureau Documenten heeft geoordeeld dat dit document met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Hoewel dit niet zonder meer onderbouwt dat eiser meerderjarig is, doet het – in samenhang met de gegevens uit Italië – wel afbreuk aan eisers gestelde minderjarigheid. Eisers betoog dat verweerder de verklaring van het ziekenhuis had moeten betrekken bij de beoordeling van zijn leeftijd, volgt de rechtbank niet nu hier enkel op vermeld staat dat eiser 15 jaar oud is en verder niet al zijn persoonsgegevens worden genoemd.
6.6.
Verweerder heeft voorts bij de beoordeling van eisers leeftijd mogen betrekken dat eiser wisselend heeft verklaard over data die betrekking hebben op zijn leeftijd en levensloop. Zo heeft eiser eerst bij de AVIM verklaard dat hij 13 jaar oud was toen hij met school stopte en dit ongeveer 5 jaar geleden is, maar waarschijnlijk langer geleden. Dit zou betekenen dat hij destijds minimaal 18 jaar oud was. Als dit aan hem wordt voorgelegd, geeft eiser aan dat hij zich niet kan herinneren of hij ouder is dan 18 jaar. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij in 2013 klaar was met school. Later heeft eiser echter verklaard dat hij 6 jaar oud was toen hij naar school ging en van 2013 tot 2018 op school heeft gezeten. Deze verklaringen vallen niet met elkaar te rijmen. Verweerder heeft het bovendien opvallend mogen vinden dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij niet weet hoe lang hij niets heeft gedaan nadat hij gestopt was met school en anderzijds dat hij moest stoppen met school omdat hij zijn stiefvader moest helpen met de koeien.
Conclusie
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, zesde lid onder b, c en e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid onder b, c en e, Vw.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 april 2025, AWB 24/11562, r.o. 5.
Sinds 1 januari 2025 heeft de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers de taken in het kader van het identificeren en registeren van asielzoekers van de AVIM overgenomen.
Uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, r.o. 6.9.
Proces-verbaal AVIM van 17 oktober 2023, p. 3
Aanmeldgehoor van 20 oktober 2023, p. 6.
Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor van 8 mei 2024, p. 2 en nader gehoor van 27 januari 2025, p. 5.
Aanmeldgehoor van 20 oktober 2023, p. 6.
Nader gehoor van 27 januari 2025, p. 13.