Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:19424
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,553 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.42431
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J.W. Aartsen),
en
de Minister van Buitenlandse Zaken, de minister (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Tevens zijn verschenen [referent] (referent) en zijn dochter en zoon.
Beoordeling
4. Op 26 maart 2024 heeft eiseres bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Rabat in Marokko een aanvraag ingediend om verlening van een visum kort verblijf, met als doel bezoek van een (jeugd)vriendin en haar echtgenoot (referent).
5. Verweerder heeft het gevraagde visum geweigerd om de reden dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en om de reden dat er redelijke twijfel bestaat aan het voornemen van eiseres om het grondgebied van Nederland te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Volgens verweerder is de sociale en economische binding van eiseres met Marokko onvoldoende aangetoond om tot de conclusie te komen dat een tijdige terugkeer naar Marokko voldoende is gewaarborgd. Op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon volgens verweerder worden afgezien van het horen.
6. Eiseres voert in beroep aan dat zij haar vriendin graag wil ontmoeten. De vriendin van eiseres is sinds 2015 in toenemende mate dementerend en heeft een indicatie voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. De vriendin woont echter nog thuis bij haar echtgenoot en eiseres wil voor haar vriendin zorgen. Volgens eiseres bestaat er sociale binding met Marokko omdat zij voor haar hulpbehoevende ouders zorgt. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres in beroep een verklaring opgesteld waarin zij verklaart dat zij de enige is die voor haar zieke moeder zorgt.
7. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode¹ blijkt dat verweerder verplicht is een visum te weigeren als redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen.
8. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale dan wel economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
9. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres een zodanige economische en sociale binding heeft met Marokko dat een tijdige terugkeer naar Marokko voldoende is gewaarborgd. Van belang is dat eiseres ongehuwd is en geen kinderen heeft. Ook heeft eiseres geen werk. Dat eiseres voor haar ouders zorgt in Marokko maakt dit niet anders. Eiseres heeft bovendien niet onderbouwd dat zij de enige persoon is die voor haar zieke moeder kan zorgen. Reeds om deze reden heeft verweerder het gevraagde visum mogen weigeren. De rechtbank laat hetgeen door verweerder is tegengeworpen in het bestreden besluit over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf daarom en wat daar door eiseres over is aangevoerd daarom onbesproken.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag alleen van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden². Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiseres is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft de minister kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Eiseres heeft in bezwaar immers haar sociale en economische binding met Marokko niet onderbouwd. De minister heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
1. Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
2 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 juli 2025
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.