Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:19328
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,526 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/1196 en AWB 24/1198
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
geboren op [geboortedatum 1] 1979, van Surinaamse nationaliteit
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. F.D. In den Bosch).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 27 februari 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
1.
1.2.
Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet voordat op zijn beroep is beslist.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister, [minderjarige] ( [minderjarige] ) en [naam 1] (de vader van [minderjarige] ).
1.5.
De rechtbank heeft op de zitting een kindgesprek gehouden met [minderjarige] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER.
3. In de bijlage bij deze uitspraak heeft de rechtbank een brief gevoegd voor [minderjarige] waarin de uitspraak en de gevolgen van deze uitspraak worden uitgelegd.
Feiten
4. Eiser is sinds 1996 in Nederland. Hij heeft tot 2001 rechtmatig verblijf gehad.
Eiser stelt de peetvader te zijn van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, [naam 2] en [naam 3] (hierna: de kinderen). De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder van de kinderen is [naam 4] en de vader van de kinderen is [naam 1] . Eiser heeft een aanvraag ingediend om op grond van Europees recht en het arrest Chavez-Vilchez bij de kinderen in Nederland te verblijven. Eiser stelt een bijzondere afhankelijkheidsrelatie te hebben met de kinderen. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft eiser diverse documenten overgelegd, waaronder verklaringen van de ouders van kinderen, diverse foto’s en chatberichten tussen de vader van de kinderen en de leerkracht van [minderjarige] .
Het kindgesprek
5. Aangezien deze procedure met name gaat over [minderjarige] heeft de rechtbank een kindgesprek met hem gevoerd. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op de zitting. Wat [minderjarige] tijdens dit kindgesprek heeft verteld, zal de rechtbank – voor zover van belang – bij de beoordeling betrekken.
Het juridisch kader
6. Voor de beoordeling van dit beroep is het volgende juridisch kader relevant.
Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
6.2.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 verschaft de minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1 van de Vw 2000, een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
Het arrest Chavez-Vilchez
6.3.
Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een van zijn minderjarig kind, dat EU-burger is, afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, indien weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten. Uit rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest volgt dat de vreemdeling die meent een dergelijk afgeleid verblijfsrecht te hebben, gegevens over moet leggen waaruit blijkt dat hij dit verblijfsrecht heeft. Het is vervolgens aan de minister om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat dat bij een weigering om aan de vreemdeling een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de EU in zijn geheel te verlaten.
Het beleid van de minister
6.4.
De minister heeft naar aanleiding van het arrest Chavez-Vilchez beleid opgesteld. Dit beleid is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 en luidt, voor zover hier van belang, als volgt.
Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder e, van de Vw 2000 als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
(…)
(…)
de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Ad c.
• De IND verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken.
• De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.
Ad d.
Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, betrekt de IND, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder:
• de leeftijd van het kind;
• zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling; en
• de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.
Het bestreden besluit
7. De minister heeft de aanvraag van eiser in het primaire besluit afgewezen en die beslissing in het bestreden besluit gehandhaafd. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit het arrest Chavez-Vilchez, die in de Vc 2000 zijn uitgewerkt in paragraaf B10/2.2. Allereerst heeft eiser niet aangetoond de juridische en/of biologische ouder te zijn van de kinderen. Ook heeft hij niet aangetoond dat hij gezag heeft over de kinderen. Hij stelt stiefouder te zijn. Als eiser voldoet aan de voorwaarden C en D van het beleid wordt hem dit niet tegengeworpen. De minister vindt echter dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden C en D. Eiser heeft volgens de minister in zijn geheel geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij zorg- en opvoedingstaken verricht. De overgelegde foto’s zijn momentopnames en laten geen structurele of dagelijkse betrokkenheid zien. De verklaring van de vader is subjectief en bovendien tegenstrijdig met de verklaring van eiser. Over de medische situatie van de moeder van de kinderen en de gevolgen daarvan voor het gezinsleven van de familie heeft eiser geen stukken overgelegd. Daarnaast is de vader van de kinderen dagelijks aanwezig in het leven van de kinderen. Dat eiser geen meer dan marginale zorgtakken verricht, weegt ook negatief mee bij de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding (voorwaarde D). Eiser heeft niet aangetoond dat de kinderen zodanig afhankelijk van hem zijn, dat zij gedwongen zouden worden om de Europese Unie te verlaten als eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister weegt bij deze beoordeling ook mee dat eiser nooit op hetzelfde adres als de kinderen ingeschreven heeft gestaan. Eiser heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn afwezigheid een bedreiging is voor de emotionele ontwikkeling van de kinderen. Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat geen sprake is van een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling
De verbindendheid van de beleidsregels
8.1.
Eiser voert in de eerste plaats – samengevat – aan dat de vier cumulatieve voorwaarden neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 niet voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez of een ander arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). De minister had niet alleen moet kijken naar de voorwaarden uit het arrest Chavez-Vilchez, maar bijvoorbeeld ook naar andere arresten, zoals het arrest XU en QP. Uit dit arrest volgt dat wanneer een ouder duurzaam samenwoont met de andere ouder van een minderjarige er een afhankelijkheidsverhouding wordt vermoed. Dit staat niet in het beleid van de minister. Daarom moeten de desbetreffende beleidsregels in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 overbindend worden verklaard, wegens strijd met artikel 4, derde lid, van het VWEU. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser op de zitting verwezen naar een uitspraak van het Hof in het arrest Stadt Wuppertal van 8 mei 2025. Daaruit volgt kort gezegd dat een lidstaat geen eigen voorwaarden mag stellen voor de rechtstreekse werking van artikel 20 VWEU.
8.
8.2.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 20 mei 2020 overwogen dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het in artikel 20 van het VWEU bedoelde afgeleide verblijfsrecht rechtstreeks voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof, waaronder het arrest Chavez-Vilchez. Uit diezelfde uitspraak, in samenhang bezien met de uitspraken van 16 april 2021 en 16 mei 2023, volgt verder dat de Afdeling het beleid van de minister in paragraaf B10/2.2 Vc 2000, meer specifiek de hier ter discussie staande onderdelen C en D van het beleid, in overeenstemming acht met het arrest Chavez-Vilchez. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond om hierover anders te oordelen dan de Afdeling. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de desbetreffende beleidsregels in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten. Er bestaat ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
De zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie
9. Eiser stelt zich verder – samengevat – op het standpunt dat hij wel degelijk aan de onderdelen C en D van het beleid voldoet. Hij verricht daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen en daarom is er ook een afhankelijkheidsrelatie. Eiser woont al lange tijd samen met de kinderen in één huis. Uit het arrest XU en QP volgt dat wanneer een ouder duurzaam samenwoont met de andere ouder van een minderjarige er een afhankelijkheidsverhouding wordt vermoed. Uit de overgelegde foto’s blijkt van een affectieve last en deze onderbouwen ook de zorg- en opvoedingstaken die eiser uitoefent als lid van het gezin en het naar school brengen. Dat de verklaring van de vader subjectief is, kan eiser niet worden tegengeworpen, omdat sprake is van een vrij bewijsstelsel in het bestuursrecht. Daar komt bij dat de moeder van de kinderen op sterven lag vanwege een ernstige bacteriële infectie.
10. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet de juridische of biologische ouder is van de kinderen en dat beide ouders van de kinderen aanwezig zijn in het dagelijkse leven van de kinderen. Ook is niet in geschil dat eiser geen gezag heeft over de kinderen en dat hij nooit op hetzelfde adres als de kinderen ingeschreven heeft gestaan in de Basisregistratie Personen.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke zorgtaken verricht voor de kinderen. De overgelegde foto’s zijn momentopnamen. Hieruit is geen structurele of dagelijkse betrokkenheid van eiser bij de kinderen op te maken. Uit de verklaringen van de ouders en van eiser volgt dat eiser huishoudelijke taken verricht en met name [minderjarige] hulp verleent bij dagelijkse verrichten. Hoewel het juist is dat in het bestuursrecht sprake is van een vrije bewijsleer, zijn subjectieve verklaringen op zichzelf echter niet voldoende om aan te nemen dat eiser meer dan marginale zorgtaken verricht. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021 leidt de rechtbank namelijk af dat aan subjectieve getuigenverklaringen, zoals die van familieleden en andere personen uit de omgeving van de vreemdeling, met name gewicht kan worden toegekend als zij worden ondersteund door stukken die als objectief zijn aan te merken. De door eiser overgelegde verklaringen worden in dit geval in onvoldoende mate ondersteund door objectieve stukken. Daar komt bij dat de verklaring van eiser tegenstrijdig is met de verklaring van de vader van de kinderen. Eiser verklaart namelijk dat de vader de kinderen naar school brengt, terwijl de vader verklaart dat eiser dit doet. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen hem en de kinderen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat de kinderen gedwongen zouden worden om eiser te volgen en daarmee de EU te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser aan het arrest XU en QP geen weerlegbaar vermoeden van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en de kinderen kan ontlenen. Allereerst omdat eiser niet een biologische ouder van de kinderen is en ook niet is gebleken dat eiser een stiefouder is. Daarnaast is niet gesteld dat eiser met de moeder van de kinderen is getrouwd of met haar een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Ook is niet gesteld dat hij het gezag heeft over de kinderen. Eiser draagt dus geen wettelijke last voor de kinderen. Ten slotte heeft eiser ook niet voldoende onderbouwd dat hij een financiële last voor de kinderen draagt en heeft hij met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij de affectieve last voor de kinderen met de ouders van de kinderen deelt. Ook deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Het evenredigheidsbeginsel
13. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De rechtbank volgt eiser niet. Zoals hiervoor overwogen, kan eiser geen rechten ontlenen aan artikel 20 en 21 van het VWEU, zodat geen sprake is van een situatie die aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst. Bovendien heeft eiser – zoals de minister terecht heeft opgemerkt in zijn verweerschrift – geen bijzondere feiten en omstandigheden aangedragen die het bestreden besluit onevenredig maken, of dat toepassing daarvan tot een andere uitkomst zou moeten leiden. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
De belangen van de kinderen
14. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de belangen van de kinderen niet zijn meegewogen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft de belangen van de kinderen meegewogen bij de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez en bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister bepaalde hogere belangen van de kinderen niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.
Conclusie
15. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond.
16. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
17. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 24/1196:
- verklaart het beroep ongegrond.
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 24/1198:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025.
griffier
(voorzieningen)rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staan geen rechtsmiddel open.
Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [minderjarige]
Beste [minderjarige] ,
Op 25 juni 2025 hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Ik vind het heel goed van je dat je bent gekomen en mij hebt verteld wat je van de situatie vindt.
Je hebt mij onder andere verteld dat je graag wilt dat [eiser] in Nederland mag blijven. Hij brengt je naar school en toen je ziek was heeft hij je ook naar het ziekenhuis gebracht. Als jij pijn hebt, helpt [eiser] je ook altijd. [eiser] doet ook veel voor je broer en je zus. Je hebt ook gezegd dat als [eiser] niet in Nederland mag blijven dat je dan verdrietig zal worden. Je hoopt daarom dat hij mag blijven.
Na ons gesprek heb ik gepraat met [eiser] en zijn advocaat en met een meneer die kwam namens de minister. Jij was er ook en zat samen met je vader achterin de zaal. De mensen die op de zitting waren, hebben verteld wat zij van de situatie vinden. Na de zitting heb ik – samen met mijn assistent – heel goed nagedacht over mijn beslissing. Ik heb gekeken naar het dossier en ik heb nagedacht over alles wat op de zitting is gezegd. Ook heb ik gekeken naar wat er in de wet staat. In deze brief leg ik uit wat mijn beslissing is geworden.
[eiser] heeft gevraagd of hij in Nederland mag blijven. De minister heeft gezegd dat [eiser] niet in Nederland mag blijven. Mijn beslissing is dat de minister dit goed heeft gedaan. De minister heeft goed gekeken naar de situatie van [eiser] en heeft de regels goed toegepast. Dit betekent dat [eiser] niet in Nederland mag blijven.
Ik begrijp dat dit voor jou en voor [eiser] geen leuke beslissing is. Deze beslissing komt niet door jou. Jij hebt het juist heel goed hebt gedaan. Ik was blij dat je naar de rechtbank bent gekomen en ik vond het fijn om met jou te praten. Je hebt me goed verteld wat jij ervan vindt.
Ik begrijp het als je het jammer vindt dat [eiser] niet in Nederland mag blijven. Maar ik moet goed naar de wet en de regels kijken.
Als [eiser] het niet eens is met de beslissing, dan kan hij in hoger beroep gaan. Dan kijkt een andere rechter opnieuw naar deze zaak.
Ik hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat ik heb beslist en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jou en je familie zal gaan.
Groetjes,
De rechter
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Voor de leesbaarheid worden zowel de staatssecretaris als de minister aangeduid als de minister.
Ten tijde van de zitting acht jaar oud.
Ten tijde van de zitting negentien jaar oud.
Arrest van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2017:354.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 2022, XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354.
ECLI:EU:C:2025:340.
ECLI:NL:RVS:2020:1235.
ECLI:NL:RVS:2021:790.
ECLI:NL:RVS:2023:1962.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 2022, XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354.
ECLI:NL:RVS:2021:2095.