Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:19281
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,377 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/16903
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum voor kort verblijf met als doel ‘familiebezoek aan [naam] (referent)’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het beroep wordt niet inhoudelijk behandeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres voor een visum voor kort verblijf afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. De relatie tussen referent en eiseres is niet aangetoond middels objectiveerbare bewijsstukken terwijl het zou gaan om een familiebezoek. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagd visum. De economische en sociale binding van eiseres met het land van herkomst is onvoldoende aangetoond dan wel zeer gering gebleken.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
4. Op grond van het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet in een beroepschrift worden toegelicht wat de redenen zijn dat de indiener het niet eens is met de beslissing op het bezwaar, ook wel de gronden van beroep genoemd. In artikel 6:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb staat dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5. Eiseres heeft op 23 oktober 2023 een beroepschrift ingediend dat niet de gronden van het beroep bevat. Bij brief van 7 november 2024 heeft de griffier eiseres verzocht om binnen vier weken na verzending van de brief de gronden van het beroep mee te delen. In deze brief is meegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiseres niet aan het verzoek voldoet en ook niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel indient.
6. De rechtbank stelt vast dat er binnen de gestelde herstelverzuimtermijn geen gronden van beroep zijn ontvangen.
7. Op 8 april 2025 heeft de rechtbank partijen gemaild en aangegeven dat er geen gronden zijn ontvangen en gevraagd naar de stand van zaken in deze zaak. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen. Op 14 april 2025 heeft de rechtbank eiseres gemaild en gevraagd naar de reden van het niet indienen van de beroepsgronden. De gemachtigde van eiseres heeft enkel toegelicht dat hij ‘alle bewijzen’ heeft, haar terugkeer garandeert en dat hij ook bereid is om elke garantie daarvoor te ondertekenen. De gemachtigde heeft niet de reden voor het uitblijven van het indienen van de gronden vermeld.
8. De gemachtigde van eiseres heeft op zitting aangevoerd dat hij niet wist wat hij aan moest met de herstel verzuim brief van de griffier van 7 november 2024.
9. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van omstandigheden die kunnen leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat de gemachtigde van eiseres niet wist wat hij met de herstel verzuim brief van 7 november 2024 aan moest, komt voor zijn rekening en risico. Hij had contact op kunnen nemen met de rechtbank hierover. Bovendien heeft de gemachtigde van eiseres ook niet naar aanleiding van de e-mails van 8 en 14 april 2025 waarmee hij een aanvullende termijn heeft gekregen, de gronden van beroep gestuurd dan wel de reden voor het uitblijven van de gronden.
Conclusie
10. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.