Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:19243
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
V-nummers: [V nummer 1] , [V nummer 2] , [V nummer 3] , [V nummer 3]
zaaknummers: NL24.3226 en NL24.3230
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1969, eiser I (hierna: de broer)
en
[eiser 2] en [eiser 3] en [eiser 4] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1987 en [geboortedatum 3] 1990, eiser II en eiser III (hierna: het gezin)
allen van de Pakistaanse nationaliteit, samen te noemen: eisers.
(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister,
(gemachtigde: mr. S. Abouloufa).
Procesverloop
1.1.
Eisers hebben allebei een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid bij [naam] ’ (referent). De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 21 oktober 2022 en 27 oktober 2022 afgewezen.
1.2.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
1.3.
Op 3 januari 2024 hebben eisers de minister ingebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op hun bezwaarschrift.
1.4.
Met het besluit van 15 februari 2024 heeft de minister besloten geen bezwaar meer te maken tegen de afgifte van een enkelvoudig visum voor kort verblijf aan eisers. De minister heeft daarbij het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar afgewezen en besloten één dwangsom toe te kennen, omdat niet tijdig is beslist op de bezwaarschriften.
1.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de proceskostenvergoeding en de dwangsom.
1.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep deels gegrond is. Zij overweegt als volgt.
Proceskosten vergoeding
Wat vinden eisers?
2.1.
Eisers zijn het niet eens met het standpunt van de minister. De minister stelt dat er geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van de proceskosten, omdat de herroeping van het besluit niet voortkomt uit een verwijtbaar onrechtmatige beslissing, maar uit feiten en omstandigheden die pas in de bezwaarfase zijn gebleken. Eisers voeren daarentegen aan dat zij bij de aanvraag al voldoende informatie hebben overlegd waarmee de visumaanvraag kon worden toegekend. Volgens hen is het bij de primaire beschikking, de afwijzing, niet duidelijk om welke redenen de aanvragen zijn geweigerd. Op deze manier blijft het gissen naar welke aanvullende informatie door eisers moet worden overlegd. Eisers zijn van mening dat voor zover de minister nadere informatie nodig had om een beslissing op de aanvragen te nemen, het op de weg van de minister had gelegen om deze informatie bij eisers op te vragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
2.2.
Het gezin bestaat uit echtgenoten en hun minderjarige zoon. De andere eiser, [eiser 1] , is de broer van de echtgenote. Referent is hun beider broer.
2.3.
De rechtbank stelt voorop dat het niet in geschil is dat het visum is toegekend nadat in bezwaar door eisers aanvullende stukken zijn overlegd.
2.4.
Het is aan eisers om de documenten over te leggen die de minister nodig heeft om de aanvragen te kunnen beoordelen. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid en artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. Voor aanvragen van een visum voor kort verblijf hanteert de minister een checklist. Op die checklist staat vermeld welke documenten een aanvrager moet overleggen. De rechtbank overweegt dat uit punt 6.2. van de checklist volgt dat bij de aanvraag de bankafschriften van de laatste zes maanden moeten worden overgelegd.
2.5.
Het gezin heeft bij de aanvraag slechts één bankafschrift overlegd. Hoewel de stelling juist is dat het bankafschrift is overlegd in combinatie met zes loonstroken, een schriftelijke verklaring van de werkgever, een garantverklaring van referent en ook referent zijn inkomensgegevens, volgt uit de checklist duidelijk dat de bankafschriften van de afgelopen zes maanden moeten worden overlegd. Dat heeft het gezin niet gedaan. Dat zij in bezwaar pas de bankafschriften hebben overlegd op basis waarvan de minister heeft kunnen vaststellen dat het salaris ook daadwerkelijk door hen wordt ontvangen, komt voor hun eigen verantwoordelijkheid.
2.6.
Ook wat betreft de broer is er geen sprake van een verwijtbare onrechtmatige beslissing van de minister die ertoe leidt dat de proceskosten in bezwaar moeten worden vergoed. Bij de aanvraag heeft de broer een “family relation certificate” (FRC) overlegd van het gezin waarin hij is geboren. Dit volgt uit punt 5.4. (proof of travel) van de checklist. Uit punt 6.1. van de checklist volgt echter dat de minister ook een FRC wenst van het huidige gezin van eiser. Dit om zijn band met zijn land van herkomst aan te tonen. Op zitting heeft de minister verklaard dat een FRC van het eigen gezin extra informatie geeft over de sociale binding ven eiser met het land van herkomst via bijvoorbeeld de achterblijvende familieleden. Dit is andere informatie dan uit de FRC volgt die door eiser is ingediend via punt 5.4. van de checklist. De rechtbank overweegt dat pas in bezwaar de FRC van eisers eigen gezin onder punt 6.1. van de checklist is overlegd. De rechtbank kan zich vinden in het standpunt van de minister dat om die reden de broer pas in bezwaar voldoende sociale binding heeft aangetoond.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat zowel wat betreft het gezin als de broer, de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvragen pas in bezwaar zijn ingewilligd omdat de aanvullende stukken pas in bezwaar zijn overlegd. Er is dus geen sprake van een onrechtmatig besluit in de zin van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en om die reden bestaat er ook geen recht voor eisers op proceskostenvergoeding in bezwaar.
Dwangsom
3.1.
De minister meent dat slechts één dwangsom betaald moet worden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat aanvragen zodanig met elkaar kunnen samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb, met zich brengt dat het bestuursorgaan één dwangsom kan verbeuren.
3.2.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister in zoverre dat de minister slechts één dwangsom hoeft toe te kennen als de aanvragen inhoudelijk voldoende samenhangend zijn. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of er in deze zaak sprake is van zodanige inhoudelijke samenhang.
3.3.
Eisers voeren aan dat de uitspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst niet van toepassing is op hun situatie. In deze uitspraak gaat het om twee broers met samenhangende asielaanvragen die gelijktijdig het land zijn ingereisd. Terwijl in eisers situatie sprake is van verschillende sociale- en economische binding met Pakistan. Anders dan de aanvragen van de broers voor asiel, is er bij eisers aanvragen voor een visum voor kort verblijf geen sprake van dezelfde inhoudelijke feiten en omstandigheden. Eisers hebben bijvoorbeeld allebei hun eigen gezin. De aanvragen hadden net zo goed later, los van elkaar kunnen worden ingediend. Eisers menen dat door minister niet kan worden gesteld dat de zaken voldoende samenhangen om de vaststelling van één dwangsom te rechtvaardigen.
3.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. De aanvragen zijn weliswaar gelijktijdig ingediend en gelijktijdig behandeld, dit betekent niet de aanvragen daarom voldoende inhoudelijke samenhang hebben. Eisers hebben de aanvragen wel gelijktijdig, maar apart ingediend. Vervolgens is er door de minister in de primaire fase met verschillende besluiten op hun aanvragen beslist. De rechtbank constateert dat eisers inderdaad een andere gezinssamenstelling hebben en zich in andere feiten en omstandigheden in het land van herkomst bevinden. De minister heeft dus niet hetzelfde feitencomplex beoordeeld. Ten slotte kan de rechtbank zich ook vinden in eisers onderbouwing dat buiten het vreemdelingenrecht de onderlinge samenhang van aanvragen in het kader van dwangsommen niet snel wordt aangenomen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018 over planschade.
3.5.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte bepaald dat in het geval van eisers sprake is van een zodanige samenhang dat een redelijke toepassing van artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid van de Awb met zich meebrengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom heeft verbeurd. Dit betekent dat de minister nog één extra dwangsom aan eisers zal moeten toekennen.
Conclusie
4.1.
De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgrebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist dat de minister slechts één dwangsom toekent. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de minister eisers in totaal twee dwangsommen van ieder € 902,- moet vergoeden. Eén komt toe aan het gezin en één aan de broer. Omdat eisers al eenmaal een dwangsom van € 902,- hebben ontvangen, betekent dit dat eisers nog een keer € 902,- toegekend krijgen. Omdat de minister de dwangsom aan eisers gezamenlijk heeft toegekend, wijst de rechtbank nu de tweede dwangsom ook aan eisers gezamenlijk toe. Zij kunnen er dan zelf voor zorgen dat een dwangsom ten goede komt aan het gezin, en de andere aan de broer.
4.2.
Omdat de beroepen gedeeltelijk gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond voor zover dit ziet op de dwangsom;
- vernietigt het besluit van 15 februari 2024 voor zover daarin is beslist dat eisers slechts recht hebben op één dwangsom van € 902,- volgens artikel 4:17 van de Awb;
- bepaalt dat de minister eiser € 902,- moet vergoeden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187, - aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 4:17 van de Awb.
Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:1624 en de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2719, r.o. 1.1.
ECLI:NL:RVS:2022:2719.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 18 augustus 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4517, r.o. 6.
ECLI:NL:RVS:2018:2211.