Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:19241
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,691 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.37724 en NL23.37725
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres]
, eiseres (zaaknummer NL23.37725), en [eiser], eiser (zaaknummer NL23.37724), hierna tezamen: eisers
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
gemachtigde: mr. M.R. van der Linde
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. J. van Dam.
Procesverloop
Bij besluiten van 6 november 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond en eisers opdragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Eisers hebben op 30 november 2023 tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1998 en heeft de Guinese nationaliteit. Eiser is haar broer. Hij is geboren op [geboortedatum 2] 1993 en heeft eveneens de Guinese nationaliteit. De in deze zaken voorliggende asielaanvragen hebben eisers op 25 januari 2022 ingediend.
1.2.
Eisers hebben aan de asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij vanwege bedreigingen door hun oom (bij wie zij in Ivoorkust woonden) en een vriend van de oom met de bijnaam “Monsieur de gouverneur” Ivoorkust hebben verlaten. Eisers vrezen bij terugkeer te worden vermoord omdat zij zich hebben verzet tegen de uithuwelijking van eiseres aan Monsieur de gouverneur.
1.3.
Op 1 november 2022 heeft verweerder voornemens tot afwijzing van de asielaanvragen uitgebracht. Eisers hebben op 3 november 2022 zienswijzen ingediend. Op dezelfde dag heeft verweerder de eerdere voornemens ingetrokken en nieuwe voornemens tot afwijzing van de asielaanvragen uitgebracht. Eisers hebben op 2 december 2022 zienswijzen op de nieuwe voornemens ingediend. Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.
De bestreden besluiten
2. Het asielrelaas bevat volgens verweerder het relevante element de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers. Hoewel eisers geen documenten hebben overgelegd, heeft verweerder de verklaringen van eisers over hun identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met de oom en Monsieur de gouverneur in Ivoorkust kunnen volgens verweerder niet leiden tot een asielvergunning omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij hierdoor ook problemen zullen ondervinden in Guinee en dat zij bij voorkomende problemen geen mogelijkheid hebben om de bescherming van de Guinese autoriteiten in te roepen. Verweerder heeft de asielaanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Geloofwaardigheidsbeoordeling
3. Eisers betogen dat verweerder in het tweede voornemen ten onrechte de door hen in Ivoorkust ondervonden problemen niet meer als relevant element heeft beoordeeld. Nu de oom ook de Guinese nationaliteit heeft en uit Guinee afkomstig is, zijn de banden met Guinee evident aanwezig.
4.1.
Uit paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat verweerder in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven beoordeelt, tenzij verweerder reden ziet de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat verweerder kenbaar de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.2.
Bij uitspraak van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2333) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de destijds als pilot toegepaste werkwijze waarbij verweerder de geloofwaardigheid van de relevante elementen van het asielrelaas van een vreemdeling uitdrukkelijk in het midden laat en in het besluit alleen een standpunt inneemt over de zwaarwegendheid daarvan, in zijn algemeenheid niet in strijd is met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden, zoals de samenwerkingsplicht. Wel moet verweerder bij het toepassen van deze werkwijze bepaalde waarborgen in acht nemen om ervoor te zorgen dat concrete besluiten die volgens de pilotwerkwijze zijn genomen zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd.
4.3.
Naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraak heeft verweerder de pilotwerkwijze geïmplementeerd in beleid. Dit beleid is neergelegd in Informatiebericht 2022/102 (IB) en paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vc 2000 (welke paragraaf per 1 januari 2023 in werking is getreden). In het IB zijn de in de Afdelingsuitspraak genoemde waarborgen die verweerder bij de toepassing van de pilotwerkwijze in acht moet nemen uitgewerkt. Zo moet onder meer het onderzoek naar de feiten en omstandigheden ter staving van het asielrelaas volledig zijn en dienen bij de zwaarwegendheidsbeoordeling alle verklaringen van eiser als uitgangspunt te worden genomen.
4.4.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de problemen in Ivoorkust niet verder worden getoetst omdat getoetst wordt of er problemen zouden ontstaan bij terugkeer naar Guinee. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat hij de problemen in Ivoorkust enkel op zwaarwegendheid heeft getoetst en de geloofwaardigheid ervan in het midden heeft gelaten. De rechtbank is van oordeel dat (mede gelet op wat hierna wordt overwogen) niet is gebleken dat eiser door het hanteren van deze werkwijze is benadeeld of in zijn belangen is geschaad, of dat verweerder de in de uitspraak genoemde waarborgen niet in acht zou hebben gehouden. Verweerder heeft bij de zwaarwegendheidsbeoordeling alle feiten en omstandigheden ter staving van het asielrelaas van eisers betrokken en alle verklaring van eisers als uitgangspunt genomen. Ook hebben eisers niet anderszins geconcretiseerd waarom de door verweerder gehanteerde werkwijze tekortschiet. Daarom valt niet in te zien waarom het bestreden besluit onzorgvuldig zou zijn voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zwaarwegendheidsbeoordeling
5. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd geen vluchtelingenschap of een reëel risico op ernstige schade loopt heeft aangenomen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers geen beroepsgronden hebben gericht tegen het standpunt van verweerder dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet de bescherming van de Guinese autoriteiten zouden kunnen inroepen.
6.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het standpunt van verweerder dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de oom en Monsieur de gouverneur in Guinee kunnen worden getraceerd, te summier is gemotiveerd. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat zij in Guinee kunnen worden gevonden door de oom en Monsieur de gouverneur. Eisers zijn daarin niet geslaagd. Zij hebben in dit kader geen documenten of landeninformatie overgelegd. Dat eisers in Guinee kunnen worden getraceerd door de oom en Monsieur de gouverneur is, zo blijkt uit de nader gehoren, gebaseerd op vermoedens van eisers. Hoewel eiser heeft verklaard dat de vriend die de uitreis heeft geregeld wist dat het niet veilig voor hen was in Guinee, heeft hij niet kunnen uitleggen hoe de vriend dit wist en wat hij wist (zie NG, p. 20). Dat eiser niet zelf de reis naar Nederland geregeld heeft, dat hij piepklein was toen hij in Guinee woonde en dat hij niets weet over Guinee, zegt niets over het gestelde gevaar in Guinee (zie NG, p. 10 en 20). Bovendien heeft eiser (uiteindelijk) verklaard dat hij geen bewijs heeft van wat er bij terugkeer naar Guinee zou gebeuren en dat degenen voor wie zij zijn gevlucht hen misschien kunnen zoeken in Guinee omdat dat de enige aannemelijk optie is (zie NG, p. 20). Hetzelfde geldt voor eiseres. Weliswaar heeft eiseres verklaard dat Monsieur de gouverneur haar zelfs in Nederland, en daarom dus ook in Guinee, zou kunnen opzoeken (zie NG, p. 8), maar zij heeft ook, op de vraag van gehoorambtenaar waar eiseres dit op baseert, geantwoord dat dit haar idee is en dat zij zich dit kan voorstellen (zie NG, 15). Bovendien heeft eiseres de vraag van de gehoorambtenaar of het enige probleem dat zij bij terugkeer naar Guinee verwacht, is dat zij daar niemand kent, bevestigend beantwoord (zie NG, p. 9).
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Overwegingen
Het asielrelaas van eisers bevat geen aanwijzingen die deze vermoedens voldoende ondersteunen. Ook als de problemen in Ivoorkust worden aangenomen zijn de enkele omstandigheden dat de oom oorspronkelijk uit Guinee afkomstig is en tot dezelfde stam als eisers behoort en dat Monsieur de gouverneur invloedrijk is in Ivoorkust, onvoldoende. Hieruit blijkt immers niet concreet op welke wijze de oom en Monsieur de gouverneur eisers in Guinee zouden kunnen opsporen. Tegen die achtergrond bezien volstaat de door verweerder in de bestreden besluiten gegeven motivering.
6.3.
Ook worden eisers niet gevolgd in hun standpunt dat verweerder in de bestreden besluiten niet alle relevante omstandigheden kenbaar heeft betrokken. De stelling van eisers dat in de bestreden besluiten geen woord gerept wordt over het traceren door Monsieur de gouverneur, mist feitelijke grondslag. In het op eiser betrekking hebbende voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het op eiser betrekking hebbende bestreden besluit, heeft verweerder de verklaring van eiser betrokken dat degenen voor wie zij zijn gevlucht hen misschien in Guinee kan zoeken (zie eerste alinea op pagina 3 van het voornemen). Het woord ‘degenen’ kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat dit ziet op zowel de oom als Monsieur de gouverneur. Eisers stellen immers voor deze personen te vrezen. De stelling van eisers dat in de bestreden besluiten bij de beoordeling van de vraag of de oom hen in Guinee kan traceren, niet (kenbaar) is betrokken dat de oom uit Guinee afkomstig is, volgt de rechtbank wel. Eiser heeft in zijn zienswijze (naar welke zienswijze in de zienswijze van eiseres wordt verwezen) gesteld dat de oom van dezelfde stamafkomst is als hij en ook afkomstig is uit Guinee, en dat dit bijdraagt aan de aannemelijkheid dat de oom hen in Guinee zou kunnen traceren. In de bestreden besluiten heeft verweerder in zijn reactie hierop enkel de stamafkomst van de oom genoemd. Eisers hebben echter niet uitgelegd wat de oorspronkelijke afkomst van de oom concreet betekent voor de risicobeoordeling. De beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot een andere conclusie over het (hiervoor onder 6.2 besproken) standpunt van verweerder dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de oom (en Monsieur de gouverneur) in Guinee kunnen worden getraceerd.
6.4.
Verder worden eisers niet gevolgd in hun standpunt dat de bestreden besluiten (anderszins) onvolkomenheden bevatten. De stelling van eisers dat in het geheel niet duidelijk is wat verweerder bedoelt met de overweging op pagina 3 van de bestreden besluiten “dat de zienswijze op dit punt een herhaling van zetten betreft”, volgt de rechtbank niet. Uit de alinea waar deze zin onderdeel van is en de alinea ervoor blijkt onmiskenbaar dat de woorden “dit punt” slaat op de overweging in de voornemens dat en waarom eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Guinee een reëel risico op ernstige schade lopen. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun stelling dat het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eisers kunnen worden getraceerd, innerlijk tegenstrijdig is. Die stelling berust op een onjuiste lezing van het op eiser betrekking hebbende bestreden besluit. In de tweede alinea op pagina 3 staat: “Verder onderbouwt u niet hoe uw oom en uw zus zou kunnen traceren in Guinee, behalve dat hij van dezelfde stam afkomstig is.” Deze woorden kunnen naar het oordeel van de rechtbank alleen zo begrepen worden dat verweerder stelt dat eisers niet anders hebben onderbouwd dat de oom hen in Guinee kan traceren, dan door enkel aan te voeren dat de oom van dezelfde stam afkomstig is.
6.5.
De conclusie is dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Guinee te vrezen hebben voor de oom en Monsieur de gouverneur en geen bescherming van de Guinese autoriteiten kunnen inroepen bij voorkomende problemen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Guinee een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet.