Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:19240
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,476 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.645 (beroep)
NL24.646 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser],
geboren op [geboortedatum] 2005, van Filipijnse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg) en
de minister van Asiel en Migratie1
(gemachtigde: mr. K. Jansen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert ter onderbouwing een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van eisers aanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet- ontvankelijk is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv in de procedure ‘verblijf als familie of gezinslid bij [naam] ’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 december 2023 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn
1 Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als ‘de minister’.
beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 17 februari 2025 heeft de minister, in een nieuwe aanvraagprocedure van eiser voor een mvv, alsnog de gevraagde mvv verleend.
2.3.
Eiser heeft op 21 mei 2025 aan de rechtbank laten weten dat hij alsnog een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep wil en dat hij dit beroep dus niet intrekt.
2.4.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hadden zich van tevoren afgemeld voor de zitting en zijn niet verschenen.
Beoordeling
Procesbelang
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
3.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij nog procesbelang heeft. Meer specifiek heeft hij belang bij de vaststelling dat de minister onrechtmatig heeft gehandeld. Als dit wordt vastgesteld kan eiser namelijk vergoeding vragen van zijn proceskosten en het griffierecht. Daarnaast had eiser, als de minister meteen de gevraagde mvv had verleend, een jaar eerder kunnen inreizen en zijn leven in Nederland kunnen opbouwen.
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling2 volgt dat sprake is van procesbelang als het doel dat een belanghebbende voor ogen staat, met het door hem aangewende rechtsmiddel kan worden bereikt en dit doel voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. De indiener moet dus een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.3 Een principieel belang levert geen procesbelang op.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en dat hij dus ook geen procesbelang heeft. De minister heeft alsnog de door eiser gevraagde mvv aan hem verleend. Eiser heeft daarmee bereikt wat hij met deze procedure wilde bereiken. Eiser kan nu met zijn beroep dus niet in een betere (rechts)positie komen dan die hij al bereikt heeft.
3.4.
Ten aanzien van eisers standpunt dat hij een procesbelang heeft omdat hij een jaar eerder Nederland had kunnen inreizen en zijn leven hier had kunnen opbouwen, overweegt
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dit standpunt van eiser als een verzoek om een schadevergoeding. Als een betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming, kan er procesbelang bestaan. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.4
3.5.
De rechtbank overweegt dat eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de aanvankelijke weigering van de minister om hem een mvv te verlenen. Eiser heeft hierover enkel verklaard dat verweerder extreem formalistisch heeft gehandeld, waardoor hij een jaar langer heeft moeten wachten voordat hij Nederland kon inreizen en zijn leven hier kon opbouwen. Eiser heeft niet toegelicht dat hieruit schade is voortgekomen en waar die schade dan uit zou bestaan.
3.6.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij een procesbelang heeft vanwege de proceskosten die hij heeft gemaakt, overweegt de rechtbank dat het enkel niet vergoeden van proceskosten in bezwaar geen zelfstandig procesbelang oplevert.5 De vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken ten aanzien van de in beroep gemaakte proceskosten is ook onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Ditzelfde geldt voor de vraag of een bestuursorgaan moet worden veroordeeld om griffierecht te vergoeden.6 De rechtbank merkt in dat kader nog op dat eiser in deze zaak is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3.7.
De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Zij zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Overschrijding redelijke termijn
4. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
4.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.7 De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De minister heeft het bezwaarschrift op 13 december 2023 ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn vanaf dat moment is gaan lopen en dat daarmee de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk.
4 Uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
5 Uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508, onder 8.
6 Uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2290.
7 Uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
6. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank, in de zaak NL24.645:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.646:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 juli 2025
Documentcode: DSR50665833
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.