Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:19238
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,694 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11331
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. T. Thissen,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
gemachtigde: mr. J. van Raak.
Procesverloop
Eiser heeft op 14 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvraag) ingediend.
Bij brief van 13 februari 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.
Op 14 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag.
Bij besluit van 13 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond, hem opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en geweigerd een bestuurlijke dwangsom toe te kennen.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op de alsnog genomen beslissing op de asielaanvraag van eiser.
Verweerder heeft op 1 juli 2025 een verweerschrift overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de tolk [naam 1] en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Pakistaanse nationaliteit.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij na de uitvaardiging van een fatwa tegen hem door de Jamia Islamia Imdadia Pakistan heeft verlaten. Eiser heeft namelijk op zijn werk bij een restaurant met een folder met religieuze teksten een balie schoongemaakt en deze folder in de prullenbak gegooid, waarop hij door een Islamitische collega is beschuldigd van blasfemie en aangevallen. Vanwege de fatwa en de beschuldiging van blasfemie vreest eiser bij terugkeer naar Pakistan gedood te worden.
Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen vanwege het incident op werk; en
- discriminatie vanwege christelijk geloof.
2.2.
Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, Pakistaanse nationaliteit en herkomst en de gestelde discriminatie vanwege eisers christelijk geloof geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde problemen vanwege het incident op eisers werk niet geloofwaardig. Dat eiser uit Pakistan komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Weliswaar valt eiser als christen onder een risicoprofiel, maar hij heeft zijn vrees bij terugkeer niet gestaafd met indicaties die op hem persoonlijk zien. Er doet zich volgens verweerder daarom geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Gelet daarop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
Beroep tegen niet tijdig beslissen op de asielaanvraag
3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling daarvan. Verweerder heeft inmiddels beslist op de asielaanvraag en eiser komt niet in aanmerking voor een bestuurlijke dwangsom. Op het beroep van eiser is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zoals deze luidt sinds 11 juli 2021 van toepassing. Op grond daarvan kan de vreemdeling niet bereiken dat dwangsommen in de zin van de Awb worden verbeurd of opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, geoordeeld dat genoemde Tijdelijke wet, voor zover die de mogelijkheid uitsluit dat verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurt in asielzaken, niet in strijd is met het Unierecht.
Beroep tegen het bestreden besluit
Incident op het werk
4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij wisselend verklaart over het incident op zijn werk. Volgens eiser zijn de wisselende verklaringen te wijten aan vertaalfouten door de tolk die tijdens het aanmeldgehoor optrad.
5.1.
Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) maakt verweerder in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.
Op grond van het derde lid van dit artikel kan verweerder in afwijking van het eerste lid gebruik maken van een tolk die geen beëdigde tolk is of een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.
5.2.
Zoals ook de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:600 stelt artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv wat betreft de motivering geen andere eis dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-registertolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Anders dan in het geval het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat, is, in het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet dan toelichten waarom een beëdigde tolk beschikbaar was, opdat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed.
5.3.
Op het voorblad van het verslag van het aanmeldgehoor heeft verweerder vermeld dat gebruik is gemaakt van een registertolk. In het bestreden besluit heeft verweerder erkend dat tijdens het aanmeldgehoor geen gebruik is gemaakt van een registertolk en vermeld dat dit op het voorblad van het aanmeldgehoor per abuis verkeerd is genoteerd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat het hem vanwege het tijdsverloop tussen het aanmeldgehoor en de beschikking niet is gelukt om te achterhalen waarom er geen gebruik is gemaakt van een registertolk. Wel kan volgens verweerder worden opgemerkt dat het de gebruikelijke gang van zaken is om eerst te proberen alle mogelijke inzetbare registertolken in te plannen, waarna pas wordt overgegaan op de inzet van niet-registertolken.
5.4.
Met het voorgaande heeft verweerder niet gemotiveerd waarom wegens de vereiste spoed geen van de beëdigde tolken beschikbaar was. Dat het de gebruikelijke gang van zaken is om eerst alle mogelijke inzetbare registertolken in te plannen, impliceert niet dat dit ook in het geval van eiser is gedaan dan wel sluit niet uit dat in het geval van eiser daarvan is afgeweken. Bovendien zou het aanvaarden van deze gang van zaken en de verklaring van verweerder daarover de verplichting om uiterlijk in het besluit de reden voor het gebruikmaken van een niet-registertolk vast te leggen zinledig maken. Er kan dus niet van worden uitgegaan dat zich bij het aanmeldgehoor een situatie als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv heeft voorgedaan. Voor zover verweerder meent dat eiser door het gebruik van een niet-beëdigde tolk niet in zijn belangen is geschaad gezien de eisen die aan niet-registertolken worden gesteld, volgt de rechtbank dit niet. Dit standpunt maakt de eis dat gebruik wordt gemaakt van beëdigde tolken en vertalers zinledig. Verweerder miskent daarbij dat voor een registertolk wel degelijk zwaardere eisen gelden dan voor een niet-registertolk en dat met het vereiste gebruik te maken van een registertolk wordt verzekerd dat een tolk wordt ingezet van wie de kwaliteit en integriteit is gewaarborgd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 28 van de Wbtv en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven.
5.5.
In het verweerschrift heeft verweerder niet alsnog gemotiveerd waarom wegens de vereiste spoed geen van de beëdigde tolken beschikbaar was. Hij volhardt immers in de stelling dat gelet op de gebruikelijke gang van zaken het een veilige aanname is dat op het moment van het aanmeldgehoor geen registertolk beschikbaar was.
5.6.
De rechtbank acht het verder aannemelijk dat eiser door het gebruik van een niet-beëdigde tolk tijdens het aanmeldgehoor in zijn belangen is geschaad.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Overwegingen
Het standpunt van verweerder over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser berust immers mede op verklaringen van eiser tijdens dit gehoor, die mogelijk niet goed zijn vertaald door de tolk naar het Nederlands. Dat eiser heeft verklaard de tolk goed te kunnen verstaan, maakt niet dat ervan uit moet worden gegaan dat de tolk in de vertaling van eisers verklaringen naar het Nederlands geen fouten heeft gemaakt. Daarnaast werpt verweerder aan eiser discrepanties tegen tussen de verklaringen van eiser tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor en stelt dat deze redelijkerwijs niet zijn terug te voeren op vertaalfouten. Volgens verweerder is het verschil tussen bladzijdes scheuren uit een religieus boek (waar een soort opzet in schuilt) (zie AMG, p. 12) of een paar flyers pakken vanaf de toonbank (wat meer per ongeluk gaat) (zie NG, p. 8) wezenlijk anders, zodat een misverstand bij de tolk niet aannemelijk wordt geacht. Hiermee gaat verweerder er echter aan voorbij dat eiser in de correcties en aanvullingen (onder meer) juist op dit punt correcties heeft aangebracht, te weten: dat eiser folders met religieuze teksten had gebruikt om schoon te maken. Verweerder heeft hier vervolgens in het nader gehoor niet op doorgevraagd en ook niet afdoende gemotiveerd waarom deze correctie niet kan worden gevolgd (terwijl andere correcties die ook zien op de wijze waarop de tolk heeft vertaald wel worden gevolgd). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser direct in de correcties en aanvullingen heeft aangevoerd dat de tolk hem niet altijd goed heeft begrepen en ook heeft gewezen op verschillende vertaalfouten die zouden zijn gemaakt. Ook het standpunt van verweerder dat eventuele vertaalfouten door de tijdens het aanmeldgehoor gebruikte tolk niet verklaren waarom eiser tegenover de vreemdelingenpolitie een ander asielmotief naar voren heeft gebracht, volgt de rechtbank niet. Daargelaten dat eisers opmerkingen over een onjuiste vertaling van zijn verklaring over het incident dat aanleiding gaf tot zijn vertrek uit Pakistan zien op het verschil tussen de weergave van zijn verklaringen in het aanmeldgehoor en in het nader gehoor en niet op het gehoor door de vreemdelingenpolitie, overweegt de rechtbank over de asielmotieven het volgende. Eiser heeft tegen de vreemdelingenpolitie verklaard dat hij problemen heeft vanwege zijn christelijk geloof (zie AVIM-gehoor, p. 2) en in latere gehoren heeft hij verklaard dat hij problemen heeft vanwege toegedichte blasfemie. Deze asielmotieven liggen – mede gelet op wat eiser heeft verklaard over de omstandigheden op zijn werk (waar hij naar zijn zeggen werd gediscrimineerd en gepest vanwege zijn christelijk geloof, mede door een teamleider die vergeefs heeft geprobeerd hem te bekeren tot de islam, en dat hij vervolgens naar aanleiding van een incident door deze teamleider van godslastering werd beschuldigd) - in elkaars verlengde, en voorstelbaar is dat dit in eisers beleving twee kanten van dezelfde medaille betreffen. De rechtbank volgt dus niet dat eiser een ander asielmotief naar voren heeft gebracht.
5.7.
Gelet op al het voorgaande kan de tegenwerping van verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over het incident op zijn werk geen standhouden.
Toegedichte blasfemie
6. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat de toegedichte blasfemie ongerijmd is. Volgens eiser kan verweerder niet de denkstap maken dat de eigen aanname over wat normaal is, niet matcht met wat de Pakistaanse samenleving normaal vindt.
7.1.
Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit overwogen dat ongerijmd is dat een fatwa wordt uitgeroepen vanwege een (reclame)flyer die op enig moment in de prullenbak belandt. Volgens verweerder kan het namelijk in alle redelijkheid voor onmogelijk worden gehouden dat alle flyers met mogelijke wervende Arabische teksten erop eeuwig bewaard zullen worden. De rechtbank kan echter eiser in zijn standpunt volgen dat verweerder hiermee voorbij gaat aan de context van het land van eiser. Het gaat er niet ‘sec’ om dat een folder in de prullenbak belandt, maar dat een folder (die ging over de Koran en het belang van de Koran en vermoedelijk een religieuze tekst bevatte in het Arabisch) (vlak na de Ramadan) in de prullenbak wordt gegooid door een christen. Verweerder kan de aan eiser toegedichte blasfemie niet beoordelen vanuit zijn eigen referentiekader maar moet dit bezien naar de maatstaven van de maatschappij in Pakistan. Dit maakt dat verweerder zijn standpunt, voor zover hij dit wil handhaven, moet onderbouwen aan de hand van landeninformatie. Dit heeft verweerder echter niet gedaan. Alleen al daarom heeft verweerder zijn standpunt dat de toegedichte blasfemie ongerijmd is niet deugdelijk gemotiveerd.
7.2.
Daar komt bij dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de door eiser ingebrachte landeninformatie. Eiser heeft in zijn zienswijze gewezen op pagina 94 van het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juni 2024. Verweerder heeft in het bestreden besluit hierover opgemerkt dat dit voorbeeld slechts een eenmalig incident betreft waarbij nota bene de Pakistaanse politie heeft ingegrepen en dat uit de zes gemonitorde jaren in datzelfde ambtsbericht volgt dat er geen sprake is van systematische lynchpartijen. Nog daargelaten dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat sprake moet zijn van systematisch lynchpartijen om de door verweerder gestelde ongerijmdheid van de aan eiser toegedichte blasfemie te kunnen ontkrachten, kan de reactie van verweerder in het bestreden besluit geen standhouden. Dit gelet op het feit dat eiser in beroep meer voorbeelden, onder meer uit hetzelfde ambtsbericht, heeft aangehaald. Eiser heeft in beroep gewezen op onder meer pagina 31 en 33 van het ambtsbericht en een NOS-bericht van 21 juni 2024. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat – kort samengevat – de in beroep genoemde landeninformatie niet op eiser van toepassing is. Eiser heeft namelijk verklaard geen problemen te hebben met de autoriteiten en politie, niet gesproken over problemen met de Tehreek-e-Labbaik Pakistan en andere militante of extremistische groepering, verbleef tijdens zijn verblijf in Pakistan niet op plekken waar het geweld tegen christenen plaatsvond en droeg geen christelijke of (niet goedgekeurde) Arabische teksten of andere uitingen, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee niet de relevantie van deze ingebrachte landeninformatie heeft onderkend. Het gaat er niet zozeer om of deze informatie een op een op eiser van toepassing is, maar dat deze informatie de algemene situatie schetst van christenen in Pakistan, te weten: dat van het ene moment op het andere ‘de vlam in de pan kan slaan’ en dat blasfemiebeschuldigingen tot (dodelijk) geweld tegen christenen kunnen leiden. Verder heeft eiser in beroep nog gewezen op de artikelen van EFAC van 26 juni 2021 en Catholic Herald van 7 december 2021. Hierin staat beschreven dat twee christelijke verpleegsters werden aangevallen nadat zij stickers met Arabische teksten hadden verwijderd tijdens het schoonmaken en dat een christelijke fabrieksmanager werd gelyncht omdat stickers met Islamitische slogans waren weggegooid. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de in de artikelen van EFAC en Catholic Herald genoemde gevallen onvergelijkbaar zijn met eisers zaak en waarom eisers verklaring ongerijmd is wanneer deze wordt bezien in het licht van de door eiser genoemde voorbeelden en landeninformatie. Voor zover al gesteld kan worden dat een sticker een meer permanent karakter heeft dan een folder (zoals verweerder heeft opgemerkt), is het niet evident dat dit een relevant verschil betreft.
7.3.
Gelet op al het voorgaande kan ook de tegenwerping dat de toegedichte blasfemie ongerijmd is geen standhouden.
Overwegingen
Fatwa
8. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet plausibel en aannemelijk verklaart over de fatwa en dat hij slechts een foto van de fatwa overgelegd heeft terwijl er aanwijzingen zijn dat dit een foto is van een originele fatwa die iemand in zijn of haar bezit heeft.
9.1.
In de eerste plaats heeft verweerder gesteld dat de verklaringen van eiser over de fatwa niet overtuigen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij van de huiseigenaar [naam 2] heeft gehoord dat in eisers straat personen zijn gekomen die leuzen hebben geuit dat degene die de profeet heeft beledigd gedood moet worden en tegen eiser gerichte fatwa’s hebben geplakt. Verder heeft hij verklaard dat degene met wie hij problemen heeft gekregen op zijn werk lid is van de Jamia Islamia Imdadia, dat het via deze persoon is terechtgekomen bij de Jamia Islamia Imdadia, dat ze je willen bekeren en dat eerst op een vriendelijke manier proberen en als dat niet lukt, dat ze dan dit soort dingen als de fatwa doen. Ook heeft hij verklaard dat de status van de fatwa is dat deze geldt zolang de persoon die het betreft leeft, dat de groep driemaal is langsgekomen in juli 2022 en onder meer fatwa’s heeft geplakt en een protest heeft gehouden en in december 2023 opnieuw fatwa’s heeft geplakt en dat en waarom het niet mogelijk is om een originele fatwa te verkrijgen (zie NG, p. 6-7, 13, 15-16). Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit niet specifiek benoemd welke van de hierboven genoemde verklaringen van eiser over de fatwa niet overtuigen, laat staan uitgelegd waarom hij dit vindt. In het bestreden besluit ontbreekt dus een kenbare motivering ten aanzien van het standpunt dat eiser niet overtuigend heeft verklaard over de fatwa. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder dit ook erkend en dit deel van de tegenwerpingen met betrekking tot de fatwa laten vallen.
9.2.
In de tweede plaats heeft verweerder gesteld dat aan de overgelegde foto van de fatwa geen bewijswaarde toekomt. Verweerder heeft in het bestreden besluit eiser gevolgd in de redenering dat van hem niet kan worden verlangd dat hijzelf de originele fatwa bij Jamia Islamia Imdadia opvraagt en dat het eveneens gevaarlijk zou zijn om een fatwa van de muur te trekken. Toch stelt verweerder in het bestreden besluit dat niet valt in te zien dat eiser niet de originele fatwa zou kunnen verkrijgen. Verweerder stelt dat gezien de onduidelijkheden op het papier en het gebrek aan schaduw of licht dat normaliter te zien is bij het maken van een foto, geconcludeerd kan worden dat het hier geen foto betreft van een fatwa die aan de muur hangt, en dat het document derhalve op enige wijze in bezit is van degene die de foto heeft gescand en toegestuurd naar eiser. De rechtbank kan echter eiser in zijn standpunt volgen dat de conclusie dat het geen foto betreft van een fatwa die aan de muur hangt, ondeugdelijk is gemotiveerd. Het enkele feit dat alleen papier zichtbaar is en geen muur, kan - zoals eiser terecht stelt - verklaard worden doordat telefoons de mogelijkheid hebben om in en uit te zoomen of zelfs te scannen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook dit erkend en dit deel van de tegenwerping laten vallen. Dat betekent concreet dat verweerder thans ervan uitgaat dat er geen manieren zijn voor eiser om aan een origineel van de fatwa te komen. De gemachtigde van verweerder handhaaft echter nog wel de tegenwerping dat aan de overgelegde fatwa niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gewenst hecht te zien omdat het een foto betreft. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering ontoereikend is omdat verweerder hiermee nalaat een kenbare inhoudelijke beoordeling van dit stuk te maken. Dat had wel gemoeten, omdat de vrije bewijsleer geen grondslag biedt voor het toekennen van dwingende bewijskracht aan objectief verifieerbaar bewijs of het ontnemen van bewijskracht aan niet objectief verifieerbare bewijsstukken. Daar komt bij dat verweerder niet zelf over de deskundigheid beschikt om uitspraken te doen over de authenticiteit en relevante aspecten van het document op de overgelegde foto. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat Bureau Documenten veelal ook een oordeel kan geven over documenten die in kopie worden overgelegd, wanneer de inhoud, lay out, uiterlijke kenmerken etc. daarvan kunnen worden vergeleken met bij het Bureau Documenten ambtshalve bekende vergelijkbare originele documenten en andere informatie. Voor zover verweerder deze tegenwerping wil handhaven ligt het bij deze stand van zaken op zijn weg om dit stuk eerst aan Bureau Documenten voor te leggen. Ook in zoverre is het standpunt van verweerder ten aanzien van de fatwa dus niet deugdelijk gemotiveerd.
9.3.
Gelet op al het voorgaande kunnen ook de tegenwerpingen met betrekking tot de fatwa geen stand houden.
Paspoort
10. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen bevredigende verklaring voor het ontbreken van het paspoort heeft gegeven.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder het een asielzoeker in beginsel mag aanrekenen als het waarschijnlijk is dat hij zich bewust heeft ontdaan van zijn identiteits- of reisdocumenten of deze bewust heeft vernietigd. Dit is anders als gebleken is van omstandigheden waaronder verweerder het wegmaken dan wel vernietigen van de documenten niet aan de asielzoeker in kwestie kan aanrekenen. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kwijtmaken of vernietigen van de documenten onder dwang of druk van een reisagent is gebeurd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen bevredigende verklaring heeft gegeven over het ontbreken van zijn paspoort terwijl dit document zijn reisverhaal had kunnen ondersteunen. Verweerder heeft in het voornemen meer specifiek overwogen dat van eiser verwacht mocht worden dat hij na aankomst in Spanje meer weerstand had geboden aan de reisagent en dat eiser desnoods naar de Spaanse autoriteiten had kunnen stappen. Uit de verklaringen van eiser tijdens het aanmeldgehoor (zie AMG, p. 11 en 12) kan worden afgeleid dat eiser met een vals paspoort Spanje is ingereisd en dat zijn echte paspoort op dat moment in handen was van de reisagent. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat niet goed valt in te zien wat de tegenwerping dat eiser meer weerstand had moeten bieden aan de reisagent inhoudt en dat van eiser niet verlangd kan worden om zijn echte paspoort met geweld afhandig te maken van de reisagent. Verder heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat het in het voornemen genoemde paspoort ziet op het gebruikte valse paspoort en dat eiser kan worden verweten dat hij dit document aan de reisagent op de luchthaven in Spanje heeft teruggeven. Eiser heeft echter tijdens het aanmeldgehoor ook verklaard dat hij door de reisagent werd onderdrukt, dat de reisagent zijn echte paspoort in Jordanië had afgepakt, dat de reisagent in Spanje het valse paspoort had teruggenomen en weigerde om het echte paspoort af te geven (zie AMG, p. 12 en 13). Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing op dat eiser zich in een situatie bevond waarbij hij geheel afhankelijk was van de reisagent en waarin sprake was van dwang. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit deze verklaringen van eiser echter niet kenbaar betrokken bij de vraag of van eiser gevergd kan worden meer weerstand te bieden aan de reisagent. In het verweerschrift heeft verweerder zich in het geheel niet uitgelaten over dit punt.