Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:19196
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
5,141 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.12486 en NL24.12487
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de rechtbank en voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1991, van Surinaamse nationaliteit,
eiser/verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. Beyik-Koçer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) eisers beroep en verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
1.1
Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 3 april 2023 afgewezen. Met het besluit van 21 februari 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Ook was de huidige partner van eiser, mevrouw [naam 1] , aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser heeft op 11 juni 2022 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw. Eiser beroept zich op het arrest Chávez-Vilchez en beoogt verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse dochter, [naam 2] (referent), die geboren is op [geboortedatum 2] 2021.
4.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest Chávez-Vilchez. Niet is gebleken dat eiser meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken verricht en niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheid van eiser dat zijn dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de EU te verlaten als aan eiser geen verblijf wordt toegestaan, aldus verweerder.
Griffierecht
5. Eiser heeft verzocht om vrijgesteld te worden van het griffierecht, omdat hij dat niet kan betalen. Dat verzoek is voorlopig toegewezen in de brief van 8 april 2024. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken en stelt eiser vrij van het betalen van het griffierecht.
Beoordeling
6. Uit het arrest Chávez-Vilchez van het Hof vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een afgeleid verblijfsrecht heeft van zijn minderjarige Unieburger-kind op grond van artikel 20 van het VWEU, als weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen wordt om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
Relevant is volgens het Hof de mate van afhankelijkheid tussen de derdelander ouder en het Unieburger-kind. Daartoe moeten volgens het Hof alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn of haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn of haar affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het kind van deze laatste ouder zou worden gescheiden. In dat kader is van belang of de derdelander ouder een stabiele factor in het leven van het kind is en of het kind in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd als de derdelander ouder zijn rol meer op afstand zou moeten vervullen.
6.1
Het beleid van verweerder over de uitvoering van het arrest Chavez-Vilchez is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vw en luidt als volgt:
“Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
[…];
c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd. […]
Ad. c.
De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.”
Zijn zorgtaken en afhankelijkheid verschillende voorwaarden?
7. Eiser voert als eerste aan dat ‘daadwerkelijke zorgtaken’ geen zelfstandige voorwaarde is voor de erkenning van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Hierbij verwijst eiser naar het Chávez-Vilchez arrest, waaruit volgt dat afhankelijkheid het centrale criterium is. Volgens het Hof bestaan er verschillende vormen van afhankelijkheid en het verrichten van zorgtaken kan daar een feitelijke uitwerking van zijn. De relatief beperktere betekenis van zorgtaken bij de toets aan artikel 20 van het VWEU blijkt volgens eiser ook uit het X-arrest. Het verrichten van zorg- en opvoedtaken is niet irrelevant, maar het is geen zelfstandige voorwaarde. Dit heeft verweerder ten onrechte miskend in het bestreden besluit.
7.1.
De Afdeling heeft over de hierboven vermelde, in het beleid neergelegde voorwaarden c en d het volgende geoordeeld. Hoewel dit twee aparte voorwaarden zijn, geldt daarbij wel dat de afhankelijkheid moet worden beoordeeld in het licht van de zorg- en/of opvoedingstaken die door de ouder worden verricht. Als sprake is van daadwerkelijke zorg- en/of opvoedingstaken is in zoverre de afhankelijkheidsrelatie gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het licht van deze jurisprudentie terecht op het standpunt gesteld dat voorwaarde c (zorgtaken) en d (afhankelijkheid) verschillende voorwaarden zijn. De minister heeft in het bestreden besluit gekeken naar de zorgtaken van eiser, deze als marginaal aangemerkt en in het licht daarvan geconcludeerd dat er geen sprake is van de vereiste afhankelijkheidsrelatie. De beoordeling is hiermee (los van de vraag of de rechtbank zich inhoudelijk daarin kan vinden) in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling. Verweerder heeft hierbij terecht verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2020, 16 april 2021 en 16 mei 2023. De Afdeling heeft in haar jurisprudentie ook expliciet geconcludeerd dat het stellen van de beide voorwaarden c en d geen aanscherping van het arrest Chávez-Vilchez betreft. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Afhankelijkheidsrelatie
8. Eiser voert daarnaast aan dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en zijn dochter sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, wat ten onrechte is miskend in het bestreden besluit. Eiser wijst op het feit dat hij, samen met de moeder van zijn dochter, de wettelijke, affectieve en financiële last deelt. Volgens eiser miskent verweerder de relevantie van de zeer regelmatige omgang en de daadwerkelijke verzorging en opvoeding die eiser verricht. Eisers rol gaat veel verder dan slechts opvang. Ter onderbouwing heeft eiser onder andere verklaringen van derden overgelegd – onder andere van de moeder van [naam 2] , zijn huidige partner, zijn ex-partner, het ouder- en kindteam, een kinderarts, het kinderdagverblijf van [naam 2] – en daarnaast een groot aantal foto’s van eiser met [naam 2] op allerlei verschillende dagen en tijdstippen, treinkaartjes en aankoopbonnetjes en bankafschriften van recente uitgaven ten behoeve van zijn dochter. Eiser verwijst verder naar wetenschappelijke literatuur ter onderbouwing van het gegeven dat het schadelijk is voor de ontwikkeling van zijn dochter als hij uit Nederland moet vertrekken. Daar komt bij dat eiser steeds een grote rol heeft gehad in het leven van zijn dochter.
8.1.
De rechtbank overweegt het volgende. Volgens de jurisprudentie van het Hof moet bij de beoordeling of een ‘Chávez-Vilchez verblijfsrecht’ bestaat worden gekeken naar de wettelijke, financiële en affectieve relatie tussen de derdelander ouder en het Unieburger kind. In dit geval staat vast dat eiser belast is met het wettelijk gezag en dat eiser met de moeder van [naam 2] een ouderschapsplan heeft opgesteld volgens welk plan eiser en de moeder de zorg voor [naam 2] hebben verdeeld. Dat wordt ook niet betwist door verweerder. Verder is niet in geschil dat eiser financieel bijdraagt. De vereiste wettelijke band en financiële band zijn dan ook onbetwist aanwezig in deze zaak. Verweerder zegt over eisers financiële bijdrage dat dit ook vanuit het buitenland mogelijk is. Dat is echter het geval in iedere zaak. De rechtbank is met eiser van oordeel dat aan dat element met deze motivering niet de betekenis is toegekend die de rechtbank afleidt uit de jurisprudentie van het Hof. Deze motivering volstaat daarom niet.
8.2.
Met betrekking tot de affectieve band en de zorgtaken overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft een opvallend groot aantal stukken ingebracht over de zorg- en opvoedingstaken die hij verricht sinds de geboorte van zijn dochter. De rechtbank stelt op basis van het ouderschapsplan en de overige overgelegde stukken en verklaringen vast dat [naam 2] om de week een heel weekend bij eiser logeert, eiser voor de overdracht aan het kinderdagverblijf na het weekend zorgdraagt, eiser zijn dochter ophaalt uit het kinderdagverblijf als zij ziek is, eiser bijspringt en de moeder van [naam 2] ondersteunt wanneer de moeder door haar werk als zelfstandige de zorg voor [naam 2] op dat moment niet dragen, eiser mee gaat naar ziekenhuisbezoeken en bezoeken aan het ouder- en kindcentrum. Verder volgt uit het ouderschapsplan dat eiser en de moeder van [naam 2] alle belangrijke beslissingen over het leven van [naam 2] in gezamenlijk overleg nemen. Weliswaar woont [naam 2] –afgezien van de eerste vijf maanden van haar leven – niet bij eiser. Uit de stukken in het dossier volgt wel dat eiser al sinds de geboorte van [naam 2] actief betrokken is in haar leven.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hiervoor krijgt verweerder, gelet op het nader te verrichten onderzoek, een termijn van twaalf weken.
11. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat heden op het beroep is beslist.
12. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Nu het beroep gegrond is, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/12486:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/12487:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
De rechtbank in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Vreemdelingenwet 2000.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
Verdrag betreffende werking van de Europese Unie.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Vreemdelingencirculaire 2000.
ECLI:EU:C:2017:354, rechtsoverwegingen 68 en 69.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2023, C-459/20, JV 2023/152, rechtsoverwegingen 48, 53-54.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2020:1235.
ECLI:NL:RVS:2021:790.
ECLI:NL:RVS:2023:1962.
Uitspraak Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235.
Beoordeling
De zorg die eiser voor [naam 2] draagt manifesteert zich volgens de in het dossier aanwezige verklaringen van naasten niet alleen op praktisch vlak in de vorm van verzorging van een jong kind, maar ook op sociaal- en sociaaleconomisch vlak door onder andere regelmatige uitstapjes, samen verjaardagen vieren en het klaarstaan wanneer de moeder door haar werk op dat moment de zorg voor [naam 2] niet (alleen) kan dragen. De rechtbank leidt uit de overgelegde verklaringen af dat eiser niet alleen regelmatig omgang heeft met zijn dochter, maar dat zowel zijn dochter als de moeder daadwerkelijk op zijn actieve betrokkenheid en zorg steunen. Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf de geboorte van [naam 2] daadwerkelijk actief betrokken is bij de zorg voor haar en haar opvoeding. Daarmee heeft eiser in beginsel aannemelijk gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht voor zijn dochter.
De rechtbank volgt verweerder niet in het op de zitting nader toegelichte standpunt dat de frequentie en intensiteit van de omgang te laag zijn om meer dan marginale zorg aan te nemen. Verweerder baseert dat standpunt op de omstandigheid dat [naam 2] volgens het ouderschapsplan slechts om het weekend bij eiser verblijft en dat uit de overgelegde verklaringen van bijvoorbeeld de moeder van [naam 2] en het kinderdagverblijf niet blijkt hoe vaak eiser concreet de zorg voor [naam 2] overneemt wanneer de moeder moet werken. De rechtbank begrijpt de ingebrachte verklaringen van onder andere de moeder van [naam 2] en het kinderdagverblijf aldus dat hierin voorbeelden worden beschreven van momenten waarop eiser is bijgesprongen. De verklaring van de moeder van [naam 2] en die van het kinderdagverblijf zijn niet met elkaar in tegenspraak en sluiten juist op elkaar aan. Dat deze verklaringen onvoldoende concreet zouden zijn op het punt van wat de zorg voor [naam 2] dan precies inhoudt, volgt de rechtbank niet omdat het nu eenmaal een feit van algemene bekendheid is dat een kind van de leeftijd van [naam 2] (drie en inmiddels vier jaar) (nagenoeg) nog compleet afhankelijk is van de zorg van ouders/ verzorgers. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat eiser slechts marginale zorg draagt voor [naam 2] . Het besluit berust op grond van het voorgaande niet op een deugdelijke motivering en is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
8.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft eiser ook voldaan aan zijn verplichting om aannemelijk te maken dat tussen hem en [naam 2] een afhankelijkheidsrelatie bestaat.
De gemachtigde van eiser heeft gewezen op wetenschappelijke literatuur over de effecten van het scheiden van kinderen van een ouder. [naam 2] is een jong kind van nu vier jaar oud dat binnenkort de stap naar de basisschool moet gaan maken. Dat is een grote verandering in het leven van een kind. [naam 2] is bovendien een kind dat in het eerste jaar van haar leven te maken heeft gehad met ernstige gezondheidsproblemen. Hierboven is al overwogen dat uit alle door eiser overlegde stukken is gebleken dat eiser in het leven van [naam 2] sinds haar geboorte een actieve en betrokken rol als ouder heeft gespeeld. Het is nu aan verweerder om te beoordelen wat de gevolgen voor [naam 2] zouden zijn als zij van eiser gescheiden zou worden. Die gevolgen zijn in het bestreden besluit niet met een adequaat onderzoek in kaart gebracht zodat het bestreden besluit in dit opzicht in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet voldoende zorgvuldig is voorbereid. De jurisprudentie van het Hof vereist dat wordt gekeken naar het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het kind van de derdelander ouder wordt gescheiden. Het Hof heeft in dat kader toegelicht dat hierbij betrokken moet worden of de derdelander ouder een stabiele factor in het leven van het kind is en of het kind in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd als de derdelander ouder zijn rol meer op afstand zou moeten vervullen. Er moet dus nader onderzoek plaatsvinden naar het leven van [naam 2] , de band tussen eiser en [naam 2] , de overige aanwezige steunfiguren, en de gevolgen voor het evenwicht van [naam 2] als eiser uit haar leven hier in Nederland zou verdwijnen. Dit onderzoek dient bij voorkeur verricht te worden door de Raad voor de Kinderbescherming of door een kinderpsycholoog of orthopedagoog.
Artikel 8 EVRM
9. Tot slot stelt eiser dat verweerder in het bestreden besluit voor het eerst aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst. Het besluit is op dit punt onzorgvuldig volgens eiser omdat hij hier niet op heeft kunnen reageren. Verweerder heeft verder geen adequaat onderzoek gedaan naar de consequenties van de afwijzing.
9.1.
Verweerder heeft op de zitting erkend dat in het primaire besluit ten onrechte niet getoetst is in aan artikel 8 van het EVRM. Dat betekent dat eiser ook niet gehoord is met betrekking tot dit punt en dat dit punt in het bestreden besluit voor het eerst is tegengeworpen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit gebrek gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM wel opgenomen is in het bestreden besluit en eiser hierop heeft kunnen reageren in beroep.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek niet gepasseerd kan worden, gelet op hetgeen hierboven is overwogen in 8.3. De uitkomst van het nader onderzoek dat plaats moet vinden, hangt immers samen met de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM. De belangenafweging zal verweerder na het onderzoek opnieuw moeten verrichten waarbij rekening gehouden moet worden met hetgeen is overwogen in deze uitspraak.