Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:19088
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,337 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.21131 en NL24.21132
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de Minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister,
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 26 februari 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, O.M. Karim als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de kennelijke ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De minister heeft in het bestreden besluit en de toelichting daarop op de zitting het volgende standpunt ingenomen. Eiser wordt gevolgd in zijn gestelde identiteit, etniciteit en Palestijnse afkomst. Syrië wordt aangemerkt als eisers land van gebruikelijk verblijf. De minister acht aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Syrië heeft te vrezen voor vluchtelingenrechtelijke vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt echter geen verblijfsvergunning, aangezien hij een bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd en wordt aangemerkt als een gevaar voor de gemeenschap. Om die reden heeft de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid en onder j, van de Vw 2000, in samenhang met paragraaf C2/7.10 van de Vc 2000. Uit de opgevraagde ECRIS-gegevens en uit het door eiser overgelegde vrijlatingsbewijs blijkt namelijk dat eiser in Griekenland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en tien maanden wegens moord en/of opzettelijke doodslag dan wel een poging daartoe en het illegaal dragen en bezit van een (vuur)wapen.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
4.1
Het Hof van Justitie heeft in een tweetal arresten van 6 juli 2023 uitgelegd wanneer een misdrijf kan worden aangemerkt als een bijzonder ernstig misdrijf in bovenbedoelde zin, op grond waarvan een asielvergunning kan worden geweigerd. Hoewel deze arresten zien op de uitleg van artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn en dus op de intrekking van een verblijfsvergunning asiel, ziet de rechtbank geen reden om dit anders uit te leggen bij de afwijzing van een verblijfsvergunning asiel aan een verdragsvluchteling op grond van de openbare orde. De minister beoordeelt ook in dat kader namelijk of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf.
4.2
In het arrest M.A. gaat het Hof van Justitie in op de vraag wanneer een misdrijf een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ is. In rechtsoverweging 26 overweegt het Hof van Justitie dat het moet gaan om een misdrijf van buitengewone ernst. In rechtsoverweging 27 maakt het Hof van Justitie duidelijk dat artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn een afwijking vormt van de in artikel 13 van de Kwalificatierichtlijn geformuleerde regel dat een vluchtelingenstatus wordt verleend aan derdelanders die voldoen aan de voorwaarden om als vluchteling te worden beschouwd. Deze bepaling moet dan ook strikt worden uitgelegd. Om te kwalificeren als een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ moet het volgens het Hof van Justitie gaan om een misdrijf dat gezien de specifieke kenmerken ervan kan worden geacht uitzonderlijk ernstig te zijn, in die zin dat het behoort tot de misdrijven die de rechtsorde van de betrokken samenleving het meest aantasten, zo blijkt uit rechtsoverweging 37. Het gaat hierbij, volgens overweging 35, om zwaardere misdrijven dan de misdrijven die de toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, of artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn kunnen rechtvaardigen.
4.3
Verder overweegt het Hof van Justitie in overweging 39 dat toepassing alleen gerechtvaardigd kan zijn in geval van een definitieve veroordeling voor een misdrijf dat afzonderlijk beschouwd onder het begrip ‘bijzonder ernstig misdrijf’ valt. De mate van ernst kan niet worden bereikt door een cumulatie van afzonderlijke strafbare feiten die op zichzelf geen bijzonder ernstig misdrijven vormen.
4.4
In overwegingen 40 tot en met 45 geeft het Hof van Justitie een aantal handvatten die de lidstaten kunnen gebruiken om vast te stellen of een misdrijf ook een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ is. Bij het vaststellen daarvan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Deze handvatten zijn:
De aard en de hoogte van de op het misdrijf gestelde straf – en a fortiori van de daadwerkelijk opgelegde straf;
Alleen een misdrijf dat een grond vormde om een straf op te leggen die in het licht van de in de betrokken lidstaat gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is, wordt beschouwd als een ‘bijzonder ernstig misdrijf’;
De aard van het gepleegde misdrijf, voor zover daaruit blijkt in welke mate de rechtsorde van de samenleving is aangetast;
Alle omstandigheden rond het plegen van het misdrijf, zowel verzachtende als verzwarende omstandigheden, de vraag of het misdrijf opzettelijk is gepleegd en de aard en de omvang van de veroorzaakte schade;
De aard van de toegepaste strafprocedure; en
Geen rekening kan worden gehouden met de eventuele weerklank in de media of bij het publiek.
Het Hof van Justitie benoemt verder dat deze criteria niet uitputtend zijn.
4.5
Over ‘gevaar voor de samenleving’ heeft het Hof van Justitie in overweging 52 overwogen dat het enkele feit dat een derdelander definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf niet met zich meebrengt dat er alleen al daarom sprake is van een bedreiging voor de samenleving van de lidstaat. Er moet zijn aangetoond dat de betrokkene een bedreiging vormt voor de samenleving van de lidstaat waar hij zich bevindt, zo blijkt uit overweging 50. Uit overweging 60 van het arrest X.X.X. volgt dat daarvoor sprake moet zijn van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het tijdsverloop tussen het bijzonder ernstige misdrijf en de intrekking speelt een rol bij de vraag of nog sprake is van een actuele en voldoende ernstige bedreiging, zo volgt uit overweging 64 van het arrest X.X.X.
4.6
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de omstandigheden van het geval onvoldoende bij de beoordeling betrokken. De minister heeft namelijk ten onrechte niet eerst de Griekse autoriteiten om meer informatie gevraagd voordat zij dit besluit nam. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie inzake Q.J. zijn lidstaten weliswaar niet verplicht om een eerder verleende asielstatus over te nemen, maar moeten lidstaten als ze de beoordeling zelf opnieuw doen wel zo spoedig mogelijk nadere informatie vragen en ten volle rekening houden met die eerdere verlening. Het betoog van de minister op zitting dat dit arrest niet van toepassing is in deze situatie omdat de beoordeling van de openbare orde in Griekenland niet relevant is voor de openbare orde beoordeling van de minister, wordt niet gevolgd. Deze beperkte uitleg volgt namelijk niet uit het Q.J. arrest. De stelling van de minister dat informatie-uitwisseling niet nodig is omdat de Nederlandse autoriteiten al uitgaan van vluchtelingenrechtelijke vervolging, acht de rechtbank ook onvoldoende. Het doel van de informatie-uitwisseling is namelijk om de autoriteit van de lidstaat waarbij het nieuwe verzoek is ingediend, in staat te stellen de verificaties die in het kader van de internationale beschermingsprocedure van haar worden verlangd, met volledige kennis van zaken uit te voeren, zo staat in overweging 79 van het arrest Q.J.. Onderdeel van de beoordeling of een vluchtelingenstatus moet worden verleend is of zich een uitsluitingsgrond voordoet. De minister had daarom navraag moeten doen naar de redenen waarom de Griekse autoriteiten na de veroordeling van eiser niet over zijn gegaan tot de intrekking van de asielstatus en de minister moet juist met die redenen rekening houden bij haar beoordeling. Dat is des te meer het geval omdat eiser in Griekenland is veroordeeld. Daar heeft de minister echter ten onrechte geen navraag naar gedaan.
Conclusie
5. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
5.2.
De gevraagde voorziening strekt ertoe om de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.21131:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 mei 2024;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.21132:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank en voorzieningenrechter,
in beide zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
European Criminal Records Information System.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arresten van 6 juli 2023 inzake X.X.X. en M.A, ECLI:EU:C:2023:542 en ECLI:EU:C:2023:543.
Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Arrest van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524.
Algemene wet bestuursrecht.